Geld in Amsterdam is het proefschrift dat Pit Dehing op 19 oktober 2012 aan de Universiteit van Amsterdam verdedigde. In het boek bestudeert Dehing de in 1609 opgerichte Amsterdamse Wisselbank: een instelling die volgens verschillende in de inleiding aangehaalde binnen- en buitenlandse tijdgenoten van groot belang was voor de financiële markt en economie van de Republiek. Dehing wil twee vragen over de Wisselbank beantwoorden (p. 21). Ten eerste, of de bank een passend instrument was voor de bestrijding van de belangrijkste monetaire problemen in Amsterdam. Ten tweede, welk effect de operaties van de bank op de Amsterdamse wisselmarkt hadden. Dehing kijkt daarom specifiek naar geldhoeveelheden en wisselkoersen en beperkt zich hierbij tot een periode (1650–1725) die cruciaal was in de ontwikkeling van de bank. Hij doet dit in acht minutieus uitgewerkte en daardoor soms wat langdradige hoofdstukken, naast een inleiding en conclusie, en mede aan de hand van tientallen tabellen, grafieken, figuren en afbeeldingen.

Hoofdstuk 2 beschrijft de algemene financieel-economisch context waarbinnen de Wisselbank opereerde en bevat voor de ingeleide lezer weinig nieuwe inzichten. Tabel 2.2 presenteert echter wel een verbeterde en meer gedetailleerde versie van de nominale rentestructuur dan Dehing in 1997 publiceerde in A financial history of The Netherlands (daar p. 53). Hoofdstuk 3 biedt een omvattende beschrijving van de oprichting en inrichting van de Wisselbank. Ook voor de ingeleide lezer is dit een handzaam en nuttig overzicht. Hoofdstuk 6 over de bedrijfsvoering van de bank had hier wellicht goed bij ingesloten kunnen worden.

Na deze meer inleidende hoofdstukken vangt in hoofdstuk 4 de inhoudelijke analyse echt aan en wel met het beantwoorden van Dehing’s eerste onderzoeksvraag. Dehing beschrijft de ontwikkeling van de bankgulden, zoals guldens op rekeningen binnen de Wisselbank genoemd werden, tot nieuwe betalingsstandaard. Door de opkomst van de bankgulden ontstond voor de bank de mogelijkheid om de economie te beïnvloeden door het voeren van een monetair beleid: het verkopen van recepissen (i.e. claims op bankguldens bij de Wisselbank) in ruil voor muntgeld of edelmetaal of, juist omgekeerd, het opkopen van recepissen met muntgeld of edelmetaal. In hoofdstuk 5 laat Dehing vervolgens zien dat een dergelijk beleid ook daadwerkelijk door de Wisselbank werd gevoerd. Dit is echter geen nieuw inzicht en werd al eerder aangetoond door Stephen Quinn en William Roberds (onder andere in ‘An economic explanation of the early Bank of Amsterdam, debasement, bills of exchange and the emergence of the first central bank’, in: Jermey Atack en Larry Neal (red.), The Origins and Development of Financial Markets and Institutions: From the Seventeenth Century to the Present (Cambridge 2009), pp. 32–70, en in ‘Muntslag, centrale bankgeld en de Wisselbank’, in: Marius van Nieuwkerk (red.), De Wisselbank van stadsbank tot bank van de wereld (Arnhem 2009), pp. 92–107). De bijdrage van hoofdstuk 5 schuilt dan ook vooral in het feit dat Dehing zeer gedetailleerd laat zien hoe verschillende groepen rekeninghouders de Wisselbank gebruikten. Belangwekkend zijn met name ook de gegevens over de omloopsnelheid van de bankgulden (pp. 162–167) omdat Dehing hiermee laat zien dat de girale bankgulden een alternatief bood voor de reguliere contante gulden.

In hoofdstukken 7, 8 en 9 richt Dehing zich vervolgens op de gevolgen die het beleid van de Wisselbank had op de wisselmarkt. Met een uitgebreide uitleg over het internationale betalingsverkeer met wisselbrieven legt hoofdstuk 7 de basis voor de feitelijke analyse in hoofdstuk 8. In dit hoofdstuk laat Dehing zien hoe de Wisselbank de wisselkoersen stabiel probeerde te houden. Dat de Wisselbank hierin slaagde, gaf Amsterdamse kooplieden volgens hem een voorsprong op kooplieden uit landen waarvan de valuta aan grotere koersschommelingen onderhevig waren. Amsterdam kon hierdoor haar internationale rol als financieel centrum versterken zoals Dehing in hoofdstuk 9 laat zien aan de hand van een door hem berekende centraliteitsindex. Daarin leidde Amsterdam in de peiljaren 1650, 1675, 1700, 1725 en 1750 voor steden als Antwerpen, Hamburg en Londen. De bankgulden was hiermee feitelijk een centrale Europese valuta geworden; een punt dat Lucien Gillard in La banque d’Amsterdam et le florin européen au temps de la République néerlandaise (1610-1820) (Parijs 2004) overigens ook al maakte. (Zie de Engelstalige bespreking door Joost Jonker in Histoire & mesure 20 (2008), maar ook Gillard’s Nederlandstalige bijdrage ‘De internationale rol van de Wisselbank’ in de bovengenoemde bundel van Van Nieuwkerk.)

Hoewel de Wisselbank ontegenzeggelijk haar rol heeft gespeeld op de financiële markten van de Republiek, leunen de conclusies van Dehing toch sterk op twee impliciete assumpties. Ten eerste, het feit dat een instelling als de Wisselbank een superieure oplossing zou bieden voor monetaire problemen. In andere gebieden kwam een dergelijke instelling niet op en beschikte men over private alternatieven (zie bijvoorbeeld Erik Aerts, ‘The absence of public exchange banks in medieval and early modern Flanders and Brabant (1400–1800): a historical anomaly to be explained’, in: Financial History Review 18:1 (2011), pp. 91–117, of Stephen Quinn, ‘Goldsmith-Banking: Mutual Acceptance and Interbanker Clearing in Restoration London’, in: Exploration in Economic History 34:4 (1997), pp. 411–432). De vraag kan daarom gesteld worden of een Wisselbank inderdaad een betere oplossing bood. Ten tweede, betoogt Dehing dat het Amsterdamse beleid ‘het betalingsverkeer van kooplieden in de bank concentreerde’ (p. 275). Hoewel Dehing zeker laat zien dat de Wisselbank intensief werd gebruikt, toont hij niet aan dat kooplieden voor hun betalingen alleen de Wisselbank gebruikten. Andere delen van het betalingsverkeer blijven immers buiten beschouwing.

De onfortuinlijkheid van dit proefschrift is dat Dehing sinds zijn aanvang in 1989 deels door het werk van collega’s is ingehaald (zie de eerder genoemde publicaties). De grote bijdrage van Dehing’s proefschrift schuilt er dan ook voornamelijk in dat het grote hoeveelheden nieuwe data beschikbaar maakt met betrekking tot het functioneren en gebruik van de Wisselbank. De bijna honderd pagina’s aan appendices zijn daarvan het resultaat. Vooral hierdoor zal Geld in Amsterdam nog lang een belangrijk referentiepunt blijven.