Brits-Nederlandse relaties in de zestiende en zeventiende eeuw hebben de afgelopen honderd jaar vrijwel zonder onderbreking in de aandacht gestaan. En geen wonder: de geschiedenissen van Engeland, Schotland en de Lage Landen zijn dermate met elkaar verweven dat het vrijwel onmogelijk is om religieuze, politieke, militaire, economische en ook culturele ontwikkelingen in het ene land te begrijpen zonder de overkant van het Kanaal in de analyse te betrekken. Een breed en divers contingent van met name Engelse, Schotse, Amerikaanse en Nederlandse politiek historici, kunsthistorici, letterkundigen, boekhistorici en theologen heeft inmiddels dan ook een flinke bibliotheek bij elkaar geschreven waarin talloze aspecten van uitwisseling en interactie diepgravend zijn onderzocht. Maar nog niet eerder verscheen een boek waarin dat op zo’n magistrale wijze gebeurde als in Hugh Dunthornes Britain and the Dutch Revolt.

Dunthorne, die al meer dan twintig jaar over dit onderwerp publiceert, heeft het boek ambitieus opgezet. Zijn doel is de impact die de Nederlandse Opstand in Engeland en Schotland op een breed aantal terreinen had te onderzoeken over een lange periode, vanaf het begin van de Opstand in de jaren 1560 tot het einde van de zeventiende eeuw. Hoewel de focus met name op de late zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw ligt, slaagt hij daarin wonderwel. Met grote beheersing over de enorme hoeveelheid primaire en secundaire literatuur presenteert Dunthorne op rustige en genuanceerde wijze een keur aan inzichten over een aantal duidelijk afgebakende thema’s, die logisch op elkaar volgen.

In het eerste hoofdstuk behandelt hij de manieren waarop het Engelse en Schotse publiek in aanraking kwam met het nieuws over de Opstand in de Lage Landen, en wat voor soort informatie dat nieuws eigenlijk was. Hij verkent orale circuits en manuscriptmateriaal, maar behandelt ook pamfletten, nieuwsboeken, geschiedenissen, en de netwerken van drukkers en vertalers die voor de verspreiding van dit gedrukte materiaal verantwoordelijk waren. Hij laat zien hoe wijdvertakt die netwerken waren, wie er deel vanuit maakte en wat de rol van politieke patronage en controle was. In het tweede hoofdstuk behandelt Dunthorne de impact van de nieuwsvoorziening die hij in het eerste hoofdstuk heeft geschetst. Hij laat zien hoe de Opstand in Engelstalig werk werd geïnterpreteerd, traceert lezers van het nieuws, en achterhaalt de doorwerking ervan in andere genres, zoals liedjes (ballads) en toneelstukken. Zo illustreert Dunthorne de centrale rol die de ontwikkelingen in de Lage Landen speelden in het Engelse politieke bewustzijn.

Het derde hoofdstuk gaat over een centraal thema: de Nederlandse Opstand als ‘oorlogsschool’ voor Engelsen en Schotten. Weer werpt Dunthornes brede benadering vruchten af. Eerst laat hij zien wat de (numerieke) bijdrage was die Britse soldaten leverden aan de Opstand, wat hun motieven waren en hoe de recrutering in zijn werk ging. Vervolgens analyseert hij hoe de ervaringen die zij opdeden op organisatorisch, financieel en technisch vlak doorwerkten op de Britse Eilanden, met name in de oorlogen in Ierland en tijdens de Engelse burgeroorlogen. In een betoog dat is doorspekt met mooie voorbeelden en anekdotes (de zestienjarige Karel I kreeg militair onderricht met Nederlandse miniatuursoldaatjes) wordt duidelijk hoe ingrijpend die vele duizenden ervaringen waren voor het Engelse militaire bedrijf op zowel de korte als de lange termijn.

Elk hieropvolgend hoofdstuk, respectievelijk over de handel, religie (niet verwonderlijk het langste) en politiek gedachtengoed, volgt dit stramien: het behandelt belangrijke ontwikkelingen in de Opstand, gaat na hoe Engelsen en Schotten hiermee in contact kwamen, en wat de gevolgen van dit contact waren. De meeste grote lijnen zullen de kenners bekend zijn, maar niet in deze samenhang. Daarbij zijn er regelmatig verrassingen, zowel op detailniveau als op het grotere plan: over de invloed van de Nederlandse landbouw in Engeland, de invloed die de Opstand op de lange termijn had op de Engelse economie, de invloed van de Nederlandse Opstand op Engelse kerkbouw, en ga zo maar door. Ook de epiloog over wetenschap en educatie, ten dele welbekend terrein, biedt toch weer nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de invoering van handelsscholen gestoeld op Nederlandse leest in Engeland en Schotland.

Helderheid en beheersing zijn Dunthornes voornaamste kwaliteiten. Elk hoofdstuk begint met een aantal duidelijke vragen, die betrekkelijk beknopt worden beantwoord, zonder dat daarbij de nuance verloren gaat. Typerend is dat Dunthorne ons niet van een grote these wil overtuigen. Dat zou je als zwakte kunnen zien, maar het is in dit boek vooral een kracht. Een groot en versnipperd onderzoeksveld wordt nu samengevat en uitgebreid in een overzichtelijk, gebalanceerd en coherent werk. Efficiëntie viert hoogtij: er staat geen woord teveel in dit boek, dat in handen van een mindere historicus vele malen dikker en minder leesbaar zou zijn geweest.

Britain and the Dutch Revolt is het resultaat en de bekroning van een onderzoekscarrière. Het is een weloverwogen, helder geschreven, en uitstekend gedocumenteerd boek dat zowel de specialist als de student en de leek veel te bieden heeft. Dit ultieme pleidooi voor slow research zal ongetwijfeld een centraal referentiepunt worden voor alle toekomstige onderzoekers op dit zo vitale gebied.