In Lipsius’ biografie is 1591 een cruciaal jaar: in het voorjaar verliet hij Leiden om er niet meer terug te keren. Dit tot ergernis en teleurstelling van bestuurders en vrienden, die hij een rad voor ogen had gedraaid door de onherroepelijkheid van zijn besluit verborgen te houden. Hij vestigde zich in het neutrale prinsbisdom Luik en verwierf in de herfst van het daarop volgende jaar een professoraat aan de universiteit van Leuven. De correspondentie was voor hem een belangrijk middel om deze overstap naar een vaste positie in zijn oude vaderland soepel te regelen. In 1586 was een eerste poging als gevolg van verstoringen door militaire campagnes mislukt. Nu reisde hij opnieuw via Amsterdam, Vlieland (een armzalige hoop duinen, ‘cumuli meri arenarum’, p. 126) en Hamburg naar, zoals hij een rooms-katholieke correspondent toevertrouwde, ‘zuiverder oorden’ (‘ad loca puriora’, p. 155). In de Republiek had hij zijn katholieke geloof nooit verloochend, want sinds zijn jonge jaren was hem dat altijd lief geweest: ‘Prisca religio semper mihi proba’ (p. 159).

De redenen voor Lipsius’ vertrek zijn uit zijn brieven slechts met grote moeite te achterhalen: ontevredenheid over de (republikeinse) bestuursvorm, toenemende politieke en religieuze spanningen, het idee dat de Republiek zich niet staande zou houden (p. 370), de controverse met Dirck Coornhert – die hem om zijn harde aanpak van andersdenkenden scherp had aangevallen zonder dat de Leidse autoriteiten deze tegenstander wilden desavoueren – en ook de angst voor groeiende repressie van het katholicisme (p. 667). Maar zeker het laatste motief wordt nooit onder woorden gebracht, maar alleen vaag aangeduid. Door in het noorden te blijven wekte hij de indruk in partijconflicten te kiezen en dat wilde hij niet (p. 491). Steeds was de zorg om zijn gezondheid een handig middel om zijn vlucht te verontschuldigen en dat deed hij – bijvoorbeeld vanuit het kuuroord Spa – zo veelvuldig dat het lemma ‘Lipsius, Justus, Biografisch: gezondheid’ een van de langste in de index nominum is geworden.

Heel duidelijk komen in deze correspondentie de voor Lipsius essentiële functies van de brief naar voren: zelfverdediging en persoonlijke belangenbehartiging. Daarbij bleef echte vertrouwelijkheid beperkt en werd zij gereserveerd voor het gesprek onder vier ogen, want hij kon niet alles zeggen in zijn brieven: ‘Later zal ik je gedetailleerder en ook vrijmoediger inlichten’ (‘Plura tunc ad te et liberius’, p. 66), ‘Ooit, in een goed gesprek, kom ik hierop terug’ (‘In sermone aliquando hac de re’, p. 88), ‘Maar over deze zaken en nog veel meer heb ik het in een persoonlijk onderhoud’ (‘Sed haec et plura coram’, p. 247), ‘Als God het wil, geef ik je de bijzonderheden in een persoonlijk onderhoud’ (‘Coram, si Deus volet, singula’, 447), ‘Er zijn veel dingen die ik in een gesprek van man tot man aan de orde zou stellen, maar die ik aan het briefpapier niet wil toevertrouwen’ (‘Multa … sunt, quae coram et in sermone … non celarem, sed litteris non committo’, p. 456), en veel andere plaatsen met vergelijkbare passages in staccato-stijl. Een gesprek was beter dan de brief (p. 407–8). Maar wendbaar als hij was, vergoelijkte Lipsius op een andere plaats zijn afwezigheid en de daaruit voortkomende verplichting brieven te wisselen met de opmerking dat die bezigheid aangenamer en doordringender was dan al het oeverloze geleuter dat in het persoonlijke gesprek overheerste: ‘ … hoc ipsum scribere aut legere … suavius … ac penetrabilius quam omne illud disserere aut garrire’ (p. 594). Slechts heel af en toe, alsof hij zich versprak, liet Lipsius wat meer los. Tegenover zijn vriend Janus Dousa sr. verontschuldigde hij zich voor zijn weigering hem met de belofte van een terugkeer tegemoet te komen: ‘Laat het genoeg zijn u één keer bedrogen te hebben’ (‘Satis sit semel decepisse’).

Tegelijkertijd was er het besef dat de brief een handig middel was om patroons te winnen, de publieke opinie bij te sturen en vijanden tegen te werken. Ongeautoriseerde publicatie van brieven druiste tegen de codes van het briefverkeer in, maar na bewerking door de briefschrijver zelf lag opname in een Centuria epistularum selectarum voor de hand. Zo verdedigde Lipsius zijn optreden nu ook voor de buitenwereld en zette hij tegelijkertijd de geadresseerden van de brieven in het zonnetje: zij zagen de aandacht en lof die Lipsius hen in zijn brieven had toebedeeld toegankelijk gemaakt voor heel de geleerde wereld (p. 658). Natuurlijk liet Lipsius niet na te benadrukken dat hij altijd goed en zuiver in de leer was geweest (p. 253). Ook herhaalde hij telkens weer dat hij op veel andere plaatsen, bijvoorbeeld Toscane en Beieren, een veilige standplaats zou kunnen verwerven als de terugkeer naar het oude vaderland onverhoopt op een mislukking zou uitlopen. Om niet alle schepen achter zich te verbranden, beklemtoonde hij in veel brieven dat hij in Holland een goede tijd had gehad.

De uitgave van het jaar 1591 kende een lange voorbereidingsperiode, want in 1975 vormden deze briefteksten de basis voor een door Sylvette Sué verdedigd proefschrift, in een periode dat de PC nog niet was geïntroduceerd. Jeanine De Landtsheer verzorgde de definitieve redactie voor de Iusti Lipsi epistolae. De hier afgedrukte 286 brieven (nos. 828–1111ter) zijn afgezien van enkele Nederlandse en Franse allen in het Latijn gesteld. Het is de eerste keer dat de brieven van één jaar ook voldoende kopij bieden om in één band te worden opgenomen. Het gaat om een voorbeeldige uitgave, met een mooie vormgeving en duidelijke letter. Per brief leggen gedetailleerde inhoudsbeschrijvingen de inhoud open, een nuttig hulpmiddel voor historici die het Latijn minder goed machtig zijn. De annotatie is uitvoerig en gaat diep in op alle onderwerpen die in de correspondentie aan de orde komen: Lipsius’ reisbelevenissen, filologische onderzoekingen, pogingen vaste voet in de Zuidelijke Nederlanden te verkrijgen, onderhandelingen over privileges voor uit te geven boeken, de storende invloed van militaire operaties, enzovoorts.

We volgen Lipsius in het centrum van zijn correspondentienetwerk en kunnen de manier waarop hij dit communicatiemiddel benutte alleen maar bewonderen: de boze Leidse universiteitsbestuurders hield hij met paaiende epistels te vriend, de verwijten van zijn naaste vrienden Janus Dousa, Jan van Hout en Franciscus Raphelengius suste hij met betuigingen van vriendschap en ondertussen afficheerde hij zichzelf als het prototype van de standvastige geleerde die vanwege een prangende zorg om zijn zielenheil niet anders had kunnen handelen. Kortom, het zijn prachtige brieven die zo’n degelijke uitgave ten volle verdienen.