Jacques de Coutre (ca. 1575–1640), afkomstig uit Brugge, kwam in september 1592 in het door Portugal beheerste Goa aan. Van daaruit begon hij als militair en handelaar een carrière die hem door grote delen van Oost-Azië bracht. Zijn reiservaringen registreerde hij in de Spaanstalige Vida de Jacques de Coutre. Het originele handschrift wordt in de Biblioteca Nacional te Madrid bewaard.

De autobiografie van De Coutre is het best te vergelijken met een schelmenroman: het verhaal van een underdog over zijn omzwervingen en de tegenslagen die hij ondervond, met veel aandacht voor de miraculeuze wijze waarop hij telkens weer wist te ontsnappen. Het overheersende motief achter de totstandkoming van de Vida is zelfverdediging. De Coutre voelde zich onderdaan van de Spaanse koning en wilde tegenover de vorst zijn loyaliteit bewijzen. Samen met zijn broer Joseph werd hij ervan beschuldigd voor de Noord-Nederlandse vijand, in het bijzonder voor de VOC, hand- en spandiensten te hebben verricht. Een arrestatie en lange rechtsgang volgden, totdat in 1632 de broers De Coutre werden vrijgesproken.

De autobiografie, die drie boeken omvat, werd door de zoon van de auteur, Esteban de Coutre, bewerkt voor uitgave, maar het resultaat bleef lang uit. Pas in 1991 verscheen de oorspronkelijke tekst, met toevoeging van een aantal documenten die zijn zoon als ondersteunende bronnen aan de uitgave had willen toevoegen (ed. J. Verbeckmoes en E. Stols). Enkele jaren daarvóór, in 1988, was er al een Nederlandstalige vertaling van de Vida uitgekomen: Aziatische omzwervingen (ed. J. Verbeckmoes en E. Stols). Beide uitgaven waren moeilijk toegankelijk en kwamen voor verbetering in aanmerking, met name op het punt van geografische begrippen en inheemse termen. De uitgave van Peter Borschberg wil in dit gemis voorzien. Zij biedt een Engelse vertaling van het eerste boek van de Vida en van vier documenten ter ondersteuning van de zelfverdediging. Daarna volgen in de bijlagen nog vier andere testimonia over de handelsoorlog tussen Portugal en de Republiek, afkomstig uit de nalatenschap van Hugo de Groot. Deze stukken staan los van de collectie van De Coutre, maar lichten de context van de Vida wel toe.

De editie van Borschberg is van belang voor onderzoekers die zich interesseren voor de geschiedenis van Zuidoost-Azië in de beginjaren van de VOC. De beschrijving van bijvoorbeeld Siam en de toenmalige hoofdstad Ayutthaya is de eerste getuigenis van een westerling die die streken bereisde (p. 40). Uitgebreide samenvattingen van de Vida en alle toegevoegde documenten maken deze studie tot een goed toegankelijke uitgave. Bovendien zijn er veel illustraties, een uitvoerig glossarium, een lijst van geografische begrippen en ten slotte een uitvoerige index.