De redactie van De Zeventiende Eeuw vroeg mij om een In Memoriam van mijn dierbare oud-collega Marijke Spies. Er is na haar overlijden op 12 mei jongstleden in verschillende media al ruime aandacht geschonken aan Marijkes unieke, inspirerende en hartelijke persoonlijkheid en aan haar grote betekenis voor de historische neerlandistiek, de retorica-studie en de geschiedbeoefening in ruimere zin. Ik beperk mij daarom tot haar relatie met dit tijdschrift.

De bakermat van de Werkgroep Zeventiende Eeuw lag in de woonkamer van Marijke aan de Amsterdamse Van Breestraat, waar we in 1984 op haar uitnodiging met een paar collega’s bijeenkwamen om een interdisciplinair samenwerkingsverband op poten te zetten, naar het voorbeeld van de al bestaande Werkgroep Achttiende Eeuw. Dat de nieuwe werkgroep een tijdschrift zou moeten krijgen stond van het begin af vast. Nadat in januari 1985 de oprichtingsvergadering had plaatsgevonden, kwam in hetzelfde jaar het eerste nummer van De Zeventiende Eeuw uit, met als ondertitel ‘Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief’ en met een vijfkoppige redactie waarvan Marijke als secretaris optrad. Toen in 1991 het tijdschrift van uitgeverij Sub Rosa overstapte naar Verloren, werd de redactie deels gewijzigd. Ook Marijke trad daarbij af. De nieuwe redactie noemde haar met name als degene die vanaf de oprichting ‘de drijvende en coördinerende kracht achter het tijdschrift was’ en sprak haar dank uit ‘voor alle zorg die ze aan De Zeventiende Eeuw heeft besteed’.

Inhoudelijke bijdragen van haar hand zijn overigens in die eerste jaren nauwelijks aanwezig. Haar belangrijkste artikelen uit die tijd zijn onder meer te vinden in het Amsterdamse Spektator en in verschillende thematische bundels. Ze is wel prominent present in de omvangrijke themanummers die vanaf 1990 uitkwamen als resultaat van de tweejaarlijkse congressen van de Werkgroep. Het congres van 1990 was gewijd aan het thema Cultuur en Economie. Een casus bij Cicero over ‘de koopman van Rhodos’ die raakt aan de verhouding van economie en moraal, wordt door Marijke via passages van Thomas van Aquino, Coornhert en Barlaeus verbonden met de vraag hoe de veelheid van mogelijke relaties tussen literatuur en buiten-literaire factoren geïncorporeerd zou kunnen worden binnen de literatuurgeschiedschrijving. We zien hier een fraai samenspel van haar grote eruditie en haar aandacht voor theoretische bezinning.

In 1992 ging het congres over Groeperingen en Instituties. Marijke sprak er over ‘Rederijkers en Reformatie in de tweede helft van de 16e eeuw in Amsterdam’, een blijk van haar groeiende belangstelling voor de rederijkerij, die zij vooral in haar jaren als hoogleraar aan de Vrije Universiteit op stimulerende wijze verder zou ontwikkelen.

Bij de congressen van 1994 en 1996 over historische thema’s, respectievelijk de Nederlandse Opstand en de Vrede van Munster, richtte ze zich op het thema beeldvorming, in deze gevallen die van Vrijheid en Vrede aan de hand van de iconische functie van figuren uit de bijbel, de klassieke literatuur en de zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde. En tussendoor, in 1993, publiceerde De Zeventiende Eeuw nog een artikel van haar hand over gedichten rond het Amsterdamse stadhuis, een nevenproduct van haar grondige Vondelonderzoek, dat in 1987 was geculmineerd in haar tweedelige grensverleggende publicatie over Vondels grote zeevaartgedichten uit 1613 en 1623.

Na 1996 treffen we vrijwel geen bijdragen van Marijke meer aan in De Zeventiende Eeuw. Het zijn de laatste jaren voor ze het emeritaat zal bereiken, maar dat betekende niet dat ze stilzat. Er verschijnen nog wat kleine gelegenheidspublicaties, onder andere op het gebied van de vakgeschiedenis, maar ze is naast haar vaste taken aan de VU vooral betrokken bij het grote project Nederlandse Cultuur in Europese Context. In 1999 verscheen het deel 1650; Willem Frijhoff en Marijke Spies waren gezamenlijk de auteurs ervan. Met ruim 700 pagina’s een indrukwekkende prestatie. In hetzelfde jaar kwam ook haar verzamelbundel Rhetoric, rhetoricians and poets. Studies in Renaissance poetry and poetics uit. En daarna zal ze nog een hoofdstuk van een kleine honderd bladzijden bijdragen aan deel II van de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam (2004). De Werkgroep is voor haar inmiddels wat naar de achtergrond geschoven.

In Marijke Spies hebben we een groot geleerde en een enthousiasmerende docent verloren, maar meer nog een bijzonder mens, intens betrokken bij alles wat er in de grote en de nabije wereld gebeurde, maar vooral bij de mensen om haar heen, haar studenten en haar vakgenoten en vrienden. Op allen die haar gekend hebben laat zij een onuitwisbare indruk achter.

Eddy Grootes