Dit themanummer is het resultaat van het congres dat de Werkgroep Zeventiende Eeuw op 25 augustus 2012 in Leiden heeft gehouden over de verbeelding van het vaderlands verleden in de Republiek en in de Habsburgse Nederlanden in de zeventiende eeuw. De Werkgroep heeft zich met deze thematiek op een onderzoeksterrein begeven dat volop in beweging is: het gebruik van het (recente) verleden in de zeventiende-eeuwse Nederlanden om eigentijdse idealen en ambities te verwezenlijken.

Er is vaak gezegd dat met de komst van de moderne tijd, ingeluid door de Franse Revolutie, ook een nieuw besef van tijd zijn intrede deed, en daarmee een nieuw historisch bewustzijn. Het cyclisch tijdsbesef van de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd werd verdrongen door een lineair tijdsconcept.1 De premoderne longue durée maakte plaats voor een gevoel van discontinuïteit tussen heden, verleden en toekomst. Het verleden werd steeds meer gepercipieerd als iets dat onherroepelijk verloren was gegaan, dat niet opnieuw beleefd kon worden en nog slechts ten dele was te achterhalen.2 Het heden werd nu gezien als de uitkomst van een historisch proces, de uitkomst van een lotsbestemming die steeds vaker ook als ‘nationaal’ werd voorgesteld.

De belangstelling voor en de politisering van het vaderlandse verleden is dan ook vaak gezien als het product van de veranderingen van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw.3 En ontegenzeggelijk werd er in het revolutietijdvak en in de nieuwe koninkrijken Nederland en België op nieuwe manieren en met nieuwe media gebruik gemaakt van het verleden om vorm te geven aan de politieke cultuur van de nieuwe natiestaten. Maar dat wil niet zeggen dat er voordien geen ‘imagined communities’ of vaderlandse herinneringsculturen bestonden.4

Nieuw onderzoek wijst uit dat de scheidslijn tussen de premoderne en de moderne beleving van het verleden minder absoluut is dan we dachten. De aandacht voor de eigen geschiedenis en de inzet van historische gebeurtenissen in actuele discussies blijken wezenlijke elementen van de premoderne historische cultuur te vormen. Ivo Schöffer wees al in 1975 op het bestaan en belang van de Bataafse mythe.5 Simon Schama demonstreerde in 1987 in zijn Embarrassment of Riches dat de Republiek zich graag in haar eigen verleden wentelde, maar zag het ontstaan van die herinneringscultuur nog als het min of meer vanzelfsprekende gevolg van het ontstaan van de Republiek en de noodzaak om de breuk met het verleden te helen.6 Recent onderzoek, dat zich deels laat inspireren door het nieuwe veld van de ‘memory studies’, probeert beter in kaart te brengen hoe dergelijke herinneringsculturen tot stand kwamen, en laat daarnaast zien dat die zeker niet uniform waren. Er waren niet alleen grote verschillen tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, maar ook binnen de nieuwe staten waren herinneringspraktijken behalve een middel om mensen te verenigen, ook een retorisch instrument om tegenstanders de maat te nemen.7

In de zeventiende-eeuwse Nederlanden was het eigen verleden een belangrijk referentiepunt in actuele debatten, op verschillende niveaus en voor allerlei personen en groeperingen. Familieruzies, kerkelijke conflicten en politieke geschillen werden uitgevochten onder verwijzing naar vroeger. Voor theologen, politici en wetgevers was niet alleen het antieke maar ook het vaderlandse verleden een bron van gezag, identificatie en wijsheid. Polemisten, juristen en propagandisten gebruikten het verleden als ammunitie in actuele conflicten. Voor dichters, toneelschrijvers en schilders bood het verleden niet toevallig de setting voor dramatische dilemma’s en exempla. In stedelijke gemeenschappen werd door allerlei partijen geïnvesteerd in gevelstenen en glasramen, preken en toneelvoorstellingen, gedenkpenningen en optochten, die het lokale verleden verbeeldden, verheerlijkten en herschreven.8

Maar ook op gewestelijk en ‘nationaal’ niveau was er veel aandacht voor het verleden. Geschiedverhalen werden uitgebouwd tot (proto-)nationale verhalen over het vaderlandse verleden. De Bataafse mythe ontwikkelde zich in de Republiek tot vaderlands oorsprongsverhaal.9 Voor de Zuiderlingen waren juist de middeleeuwen en de tijd van ‘Keizer Karel’ vaak het belangrijkste kader.10 In het Noorden kregen de middeleeuwen een dubbelzinnige rol waarin ze zowel als tijden van duisternis als glorietijd konden worden verbeeld.11 Er ontstonden canonieke perspectieven op het recente oorlogsverleden van de Nederlandse Opstand, die werden ondersteund door beroemde prentenreeksen.

De historische cultuur was sterk intermediaal. Beeld en woord, mondelinge vertel- en zangtradities en geleerdencultuur, landschap en artefacten ontwikkelden zich vaak in een verrassende wisselwerking. Religie en politiek bepaalden in sterke mate de perspectieven op het verleden. Verzamelaars in de Zuidelijke Nederlanden collectioneerden relieken van Nederlandse heiligen en beelden die zich op wonderlijke wijze hadden verzet tegen beeldenstormers.12 In veel noordelijke huishoudens bewaarde men kanonskogels en noodgeld uit de legendarische belegeringen van de Opstandsjaren.

Vanuit verschillende invalshoeken analyseren de auteurs die aan dit themanummer hebben meegewerkt hoe en waarom zeventiende-eeuwse Nederlanders het vaderlandse verleden actueel maakten. Judith Pollmann vergelijkt de manier waarop de verschillende religieuze gezindten met behulp van het verleden hun confessionele identiteit versterkten. De Habsburgse Nederlanden slaagden erin om de pijnlijke calvinistische intermezzo’s onder het tapijt te vegen ten behoeve van een breed gedragen katholieke lezing van het recente oorlogsverleden. De Noordelijke Nederlanden waren in godsdienstig opzicht te zeer verdeeld om tot een gemeenschappelijke religieuze lezing van het verleden te kunnen komen. De kerken hadden daar allemaal hun eigen Opstandsherinneringen. Daarnaast bestond er een seculiere versie van het Opstandsverleden, waarin begrippen als ‘patriottisme’ en ‘vaderland’ werden benadrukt.

De religieuze verdeeldheid in de Noordelijke Nederlanden en de consequenties daarvan voor de omgang met het recente verleden worden verder uitgediept door Dirk Pfeifer. Hij toont aan hoe en waarom de remonstrantse gemeenschap met behulp van herinneringen aan haar val in ongenade in 1618/1619 een nieuwe identiteit creëerde. Noties van vervolging en ontsnapping, met als onbetwistbaar hoogtepunt de spectaculaire ontsnapping van Hugo de Groot uit Slot Loevestein, werden tot kernwaarden van de remonstrantse identiteit verheven. Pfeifer verklaart tevens waarom latere generaties remonstranten speciaal aan vrouwen een prominente rol toekenden bij deze ontsnappingen.

Dat de seculiere Opstandscanon ook ruimte bood voor verschillende interpretaties van het oorlogsverleden van de Republiek, laat Jasper van der Steen zien in zijn artikel over de politieke aspiraties van de Statenpartij tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. Aan de hand van twee casus – de nasleep van Willem ii’s aanval op Amsterdam in 1650/1651 en de politieke controverse rond de Akte van Seclusie (1654) – onderzoekt hij waarom de aanhangers van de Ware Vrijheid hun politieke argumenten kracht bijzetten met verwijzingen naar de Opstand. Het dominante verhaal over de Opstand vertoonde immers sterk orangistische trekken. Van der Steen komt tot de conclusie dat de Statenpartij weinig keuze had aangezien deze orangistisch getinte Opstandscanon inmiddels de status van ‘foundation narrative’ van de Republiek had verworven en om die reden niet gemakkelijk omzeild kon worden. Er zat dus weinig anders op dan een anti-orangistisch alternatief van het Opstandsverleden te bieden, bijvoorbeeld door de rol van Willem van Oranje te marginaliseren.

Zowel in de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden bood het historiografische genre interessante mogelijkheden om de gewenste visie op het landelijke en lokale verleden wetenschappelijke autoriteit te verlenen. Coen Maas toont aan dat de katholieke polemist Richard Verstegen in zijn Nederlantsche antiquiteyten (1613) gebruik maakte van de middeleeuwse geschiedenis van de Lage Landen – met name de bekering van de Nederlanden door Willibrord – om de theologische doelstellingen van de Contrareformatie te realiseren. De inzet van de geschiedwetenschap met bijbehorende bronvermeldingen en waarheidsclaims gaf extra gezag aan Verstegens godsdienstige argumenten, zo betoogt Maas. Een opvallend aspect is Verstegens strategie om door middel van een iconisch beeld van Willibrord op het titelblad zijn boodschap beter te laten beklijven, een mooie illustratie van de hierboven al gesignaleerde wisselwerking tussen tekst en beeld in herinneringsculturen.

In de bijdragen van Bram Caers en Marcin Polkowski komt de omgang met het verleden in lokale geschiedschrijving aan bod. Caers laat zien waarom burgemeester Van Wachtendonck in zijn herziening van de Mechelse stadsgeschiedenis in 1600 het Beleg van Neuss (1474), waarin de stad zich als een trouwe bondgenoot van de Bourgondische hertogen had gemanifesteerd, tot een belangrijke pijler van de stedelijke identiteit maakte. Dat had alles te maken met de wens het kortstondige calvinistische bewind in de jaren 1580 te vergeten. Door een ononderbroken lijn te trekken tussen het middeleeuwse Beleg van Neuss en de eigentijdse ontzetting van Lier – toen Mechelen zich opnieuw gezagsgetrouw had opgesteld – kon hij zijn stad profileren als van oudsher koningsgezind en katholiek, trouw aan de wapenspreuk ‘in fide constans’. Het pijnlijke calvinistische interludium werd zo uit het collectieve geheugen gebannen. Met de bestelling van enkele monumentale schilderijen van beide belegeringen benadrukte het stedelijk bestuur de door haar gepropageerde herinneringscultuur nog eens extra.

In het Noord-Nederlandse Delft worstelde de protestantse stadshistoricus Dirck van Bleyswijck juist met het katholieke verleden van zijn stad. Anders dan zijn Zuid-Nederlandse evenknie, meende Van Bleyswijck dat hij deze hem onwelgevallige periode niet zomaar in de doofpot kon stoppen. In zijn artikel analyseert Polkowski Van Bleyswijcks intellectuele strategieën om dit probleem het hoofd te bieden. Door katholieke verhalen, zoals het leven van de Delftse begijn Geertruyd van Oosten, in zijn Beschryvinge der stadt Delft te incorporeren, gaf Van Bleyswijck de katholieke inwoners van het middeleeuwse Delft een stem. Maar door tegelijkertijd typisch roomse zaken als het geloof in wonderen af te doen als ‘fabuleuselijck verdicht’, nam hij de eigentijdse protestantse ideologie in bescherming; katholieke stadsgeschiedenissen dus in dienst van een overkoepelend, protestants ‘master-narrative’.

Wat de literatuur betreft, ten slotte, fungeerden in de zeventiende eeuw vooral poëzie en toneel als vehikels om het verleden te verwerken en een historische identiteit te construeren. Dat ook het minder bekende genre van de zeventiende-eeuwse roman zich hiertoe uitstekend leende, wordt overtuigend bewezen door Yolanda Rodríguez Pérez. Zij laat zien hoe uit de pseudo-vertaling De Amsterdamschen Spanjaert (1671) van G. de Bray kan worden gedestilleerd welke episodes uit het Opstandsverleden inmiddels een canonieke status hadden verworven. Vooral iconische anti-hispanistische beelden uit het begin van de Opstand, zoals de tirannie van de hertog van Alva, waren een vast onderdeel van het collectieve geheugen van de Republiek geworden. De wederwaardigheden van de ‘Amsterdamse Spanjaard’ – net zoals Verstegens Willibrord op het titelblad beeldend weergegeven – moesten onderstrepen hoe er tussen de Nederlanders die zich van het Spaanse juk hadden bevrijd en hun welvarende nakomelingen een rechtstreekse historische lijn kon worden getrokken.

In deze aflevering van De Zeventiende Eeuw hebben de auteurs vanuit allerlei perspectieven en op allerlei niveaus de zeventiende-eeuwse wisselwerking tussen heden en verleden voor het voetlicht gebracht. Door het beschikbare bronnen- en beeldmateriaal in hun onderlinge samenhang te bestuderen, hebben zij aangetoond dat ook in de zeventiende-eeuwse Nederlanden het vaderlandse verleden niet alleen een bron van eenheid was maar juist daardoor ook een belangrijk cultureel, politiek en religieus instrument om elkaar de oren mee te wassen. De invalshoeken die de auteurs hebben gekozen zijn divers. Een vergelijking van hun conclusies levert echter verschillende overkoepelende inzichten op, die aansporen tot verder onderzoek. In de eerste plaats wordt de in het begin van deze inleiding geconstateerde intermedialiteit van vaderlandse herinneringsculturen bevestigd. Vooral de wisselwerking tussen tekst en beeld is naar voren gekomen, maar Caers stipt aan hoe ook zaken van een totaal andere orde zoals de relieken van een stadsheilige kunnen dienen om een bepaalde visie op het verleden te onderstrepen.

Daarnaast wijzen de verschillende bijdragen op de tegenstelling in herinneringspraktijken tussen de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden. In het Zuiden overheerste de wens om zowel nationaal als lokaal katholieke tradities en continuïteit uit te dragen. Gevoelige calvinistische hoofdstukken werden het liefst uit de eigen geschiedenis weggeschreven, ten gunste van meer heldhaftige passages uit een verder verleden. Zo’n algemeen ordenend religieus principe ontbrak in de religieus pluriforme Republiek, en ook bij de dynastieke continuïteiten waren vraagtekens te zetten. Eigenlijk werden alleen anti-Spaanse gevoelens breed gedragen – waardoor bijvoorbeeld de wreedheden van de hertog van Alva al snel een canonieke status verwierven. Maar daarnaast voerden allerlei partijen in de samenleving het verleden op als referentiekader voor zeer uiteenlopende, vaak tegenstrijdige standpunten. Het (recente) lokale, gewestelijke of nationale verleden veroverde daardoor weliswaar een prominente plaats in het eigentijdse politieke en religieuze debat, maar werkte ook vaak verdelend in plaats van verbindend. Onder invloed van actuele discussies kregen herinneringen een nieuwe betekenis, die niet voor iedereen gelijk was. Zo kwamen meerdere, botsende interpretaties in omloop en raakte het vaderlandse verleden vaak omstreden. De sterk gepolitiseerde vaderlandcultus die door de patriottenbeweging in de Republiek aan het einde van de achttiende eeuw op de politieke agenda werd gezet, kwam dus niet uit het niets. Integendeel, met de thematisering van het vaderlandbegrip en het vaderlands gevoel plaatsten de patriotten zich in een langere traditie en borduurden zij voort op zeventiende-eeuwse vaderlandse herinneringsculturen. Het waren diezelfde herinneringsculturen die in de Zuidelijke Nederlanden ammunitie boden aan voor- en tegenstanders van de hervormingspolitiek van Josef II.13 En al zouden de negentiende-eeuwers hun voorgangers nog overtreffen in ‘historiezucht’, veel van wat zij te berde hadden te brengen wortelde in de belangstelling voor het vaderlands verleden in de zeventiende eeuw.