Het aantal boeken, tentoonstellingscatalogi en wetenschappelijke artikelen over de Hollandse schilderkunst in de zeventiende eeuw is eindeloos. De enorme kunstproductie in de Gouden Eeuw, met schilderijen van hoge kwaliteit, voornamelijk bestemd voor de welgestelde burgerij, is immers een bijzonder fenomeen dat wereldwijd belangstelling trekt. Werken die een overzicht geven van de ontwikkeling van de schilderkunst in deze periode zijn echter schaars. Misschien is het juist de rijkdom en veelzijdigheid van de zeventiende-eeuwse schilderkunst die het moeilijk maakt om deze in een toegankelijk overzicht te presenteren. Tot op heden waren de enige standaardwerken dan ook Hollandse schilders van de Gouden Eeuw van Bob Haak (1984) en Dutch Painting 1600-1800 van Seymour Slive (1995). Eind 2013 is er een nieuw overzichtswerk verschenen, geschreven door Jeroen Giltaij, oud-conservator van Museum Boijmans Van Beuningen. De publicatie is een uitwerking van zijn veel kleinere Het Gouden Eeuw Boek (2004).

Volgens schattingen werkten tussen 1580 en 1800 tussen de vijftig- en honderdduizend schilders in de Hollandse steden, die vijf tot tien miljoen schilderijen hebben gemaakt. Dat waren uiteraard niet altijd werken van grote meesters, maar deze cijfers geven wel aan dat de Hollandse schilderkunst bloeide. Kunstenaars specialiseerden zich om de concurrentie voor te zijn: ze werden bijvoorbeeld historie-, landschap-, stilleven- of portretschilder. Giltaij vertelt zijn verhaal aan de hand van kunstwerken uit belangrijke Nederlandse musea, zoals het Rijksmuseum, Museum Boijmans en het Mauritshuis. Dit is een goede zet, want zo biedt hij direct een kennismaking met zeventiende-eeuwse topstukken in onze openbare collecties.

Het boek is chronologisch opgebouwd van het begin van de zeventiende-eeuwse schilderkunst in Haarlem tot de laatste jaren van de Gouden Eeuw. Daarbinnen is er een thematische ordening, met hoofdstukken over het landschap, stilleven, portret, de verbeelding van het dagelijks leven, stadsgezichten, architectuur- en zeestukken. Ook Rembrandt en zijn leerlingen krijgen eigen hoofdstukken, evenals de decoratie van Huis ten Bosch en het Amsterdamse stadhuis. Tal van minder bekende kunstenaars komen aan bod: wie kent bijvoorbeeld nog de zeeschilders Hendrick Dubbels of Experiens Sillemans? In korte kaderteksten is aandacht voor onderwerpen als de zeventiende-eeuwse teken- en prentkunst en kunsttheorie. De vele afbeeldingen zijn voorzien van bijschriften. Achterin zijn een literatuurlijst en een index opgenomen.

Het Grote Gouden Eeuw Boek is een mooi lees- en kijkboek, geschreven met veel kennis van zaken. Het is geschikt voor een breed publiek, maar ook voor eerstejaarsstudenten kunst- of cultuurgeschiedenis (aangevuld met verdiepende stof) en voor cursisten van kunsthistorische cursussen. Aan dit frisse, rijk geïllustreerd overzicht zullen velen plezier beleven.