Sinds jaar en dag wordt Antwerpen beschouwd als hét brandpunt van het culturele leven in de Zuidelijke Nederlanden vanaf de vroege zestiende tot diep in de zeventiende eeuw. Gevolg hiervan is dat andere steden zoals Brussel, Mechelen, Gent en Brugge nauwelijks aandacht kregen in het wetenschappelijk onderzoek. Met deze acta wordt een aanvang gemaakt om dit beeld bij te stellen door de rol van Brussel als artistiek centrum voor het voetlicht te brengen. De klemtoon ligt op de beeldende kunsten, maar de lezer wordt ook getrakteerd op voorproefjes van mode, literatuur en muziek. De vijftien bijdragen zijn verdeeld over vier delen en een epiloog van Maartje De Wilde die een introductie vormt op de bijgeleverde cd met zeventiende-eeuwse Brusselse liederen uitgevoerd door het Ensemble Cannamella.

Het eerste deel bevat de niet-kunsthistorische bijdragen en zoomt achtereenvolgens in op de materiële wooncultuur (Veerle De Laet), de kledingsector (Harald Deceulaer), de Nederlandstalige literaire cultuur (Karel Porteman) en het muziekleven (Piet Stryckers). In het tweede deel, gewijd aan het hof, bijt Leen Kelchtermans de spits af met een bijdrage over de documentaire en sociologische waarde van twee portretten van de edelman Alexandre Hippolythe de Bournonville uitgevoerd door Peter Snayers. Dat kunst in Brusselse hoofse kringen bijzonder functioneel was, wordt bevestigd door Jean-Philippe Huys die de artistieke keuzes van keurvorst Maximiliaan ii Emmanuel van Beieren neerzet als politieke statements. Tenslotte licht Catherine Phillips de betekenis van Graaf Charles Coblenz toe voor de heropleving van het artistieke leven in de Oostenrijkse Nederlanden.

Het derde deel ‘Art production & art dealing’ bevat vier bijdragen met uiteenlopende onderwerpen. Elisabeth Bruyns heeft het over schilderijlijsten, Beatrijs Wolters van der Wey beklemtoont het belang van contextualisering voor de interpretatie van zeventiende-eeuwse ambachts- en gildeportretten. Eelco Nagelsmit onderzoekt de originele context en functie van Theodoor van Loons altaarstukken voor het Groot Begijnhof om hun aparte iconografie en stijl te verklaren. Dries Lyna tot slot probeert inzicht te verkrijgen in de veranderende achttiende-eeuwse Brusselse kunstmarkt alsook in het private verzamelwezen aan de hand van de (veiling van de) collectie van Gabriel François Joseph de Verhulst.

Deel vier ten slotte, onderzoekt de artistieke uitwisseling tussen Brussel enerzijds en andere steden uit naburige gebieden anderzijds. Pierre-Yves Kairis bekijkt de schilderkunstige relaties tussen Brussel en Luik, terwijl Kelchtermans in haar tweede bijdrage in deze bundel duidelijkheid probeert te verschaffen over de identiteit van de schilders Volders werkzaam in Brussel en Leeuwarden. Guy Delmarcel en Koenraad Brosens bepleiten het bestaan van nauwe banden tussen Brusselse, Antwerpse en Oudenaardse wandtapijtondernemers in de late zeventiende en de vroege achttiende eeuw en vragen aandacht voor de impact hiervan op de identiteit van tapijten geproduceerd in die drie centra.