De Nederlantsche antiquiteyten en het verband tussen theologie en geschiedschrijving in de vroegmoderne tijd

In 1613 publiceerde Gaspar Bellerus in Antwerpen een traktaat met de titel Nederlantsche antiquiteyten van de hand van Richard Verstegen.2 In dit werk smelten theologie en geschiedschrijving samen tot een betoog dat naadloos past in de context van de katholieke revival in de Zuidelijke Nederlanden in de vroege zeventiende eeuw. Het traktaat wordt over het algemeen aangemerkt als een geschiedwerk, en de eerste vijf hoofdstukken beschrijven dan ook de geschiedenis van de Lage Landen tot en met de bekering van de bevolking door Willibrord.3 Het laatste hoofdstuk is echter, zoals Verstegens biograaf Paul Arblaster het uitdrukte, een ‘guide to religious controversy’.4 In de woorden van Verstegens eigen hoofdstuktitel kan men dit hoofdstuk zien als een klacht

dat het gelooue d’welc S. Willibrordus in dese Nederlanden gheplant heeft, naer dat het negenhondert iaren geduert hadde, is comen beschuldigt te worden het oprechte kersten ghelooue niet te wesen, ende hoe datmen weten mach oft dese beschuldinghe te recht ghesondeert is, oft niet.5

De religieuze strekking van het werk werd ook goed onder woorden gebracht door de censor librorum, Laurens Beyerlinck, die aangaf dat het boek zou helpen ‘de nieuwe ghepretendeerde, ghereformeerde ghesintheyt’ een halt toe te roepen.6

Een dergelijke samenhang tussen theologische discussies en geschiedschrijving is kenmerkend voor de zestiende en zeventiende eeuw. Reformatoren zoals Johann Carion, Philipp Melanchthon en Matthias Flaccius doken bijvoorbeeld diep in de middeleeuwse geschiedenis om het verval van de kerk te demonstreren en te laten zien dat hun hervormingsbeweging altijd latent aanwezig was geweest. Contrareformatoren zoals Cesare Baronio ondernamen uitvoerige historische studies om hun ongelijk te bewijzen en de katholieke kerk te rehabiliteren.7

Al in 1932 verwoordde Pontien Polman naar aanleiding van zulke geschiedwerken de these dat protestanten en katholieken in de zestiende eeuw niet geïnteresseerd waren in de geschiedenis op zich, maar haar gebruikten om zich de kerkvaders toe te eigenen en de legitimiteit van ongeschreven tradities te ondersteunen.8 Deze gedachte is inmiddels genuanceerd door de studie van Irena Backus, waarin wordt betoogd dat de historici van deze periode een oprechte en intrinsieke interesse hadden in het verleden en dat de geschiedenis een soort court of appeal vormde om de strijd rondom confessionele identeit verder uit te vechten.9 Backus koppelt ook ontwikkelingen op het vlak van de historische methode aan de werkzaamheid van confessionele historici.10 Voor de Nederlanden heeft bijvoorbeeld Judith Pollman laten zien dat de katholieke revival van de vroege zeventiende eeuw een interesse in het oude verleden, en niet in de laatste plaats de geschiedenis van de heiligen, met zich meebracht. Kennis van dit verleden kon immers helpen de continuïteit van de katholieke traditie en de geworteldheid van de katholieke kerk in de Nederlanden te onderstrepen en de heiligen waren symbolen die goed pasten bij het elan van de katholieke revival.11 Ook is recent belangrijk onderzoek verricht naar de receptie van de kerkvaders door zowel katholieken als protestanten.12

Verstegens Nederlantsche antiquiteyten passen naar mijn mening goed in het beeld dat door Backus wordt geschetst van de confessionele geschiedschrijving in de vroegmoderne tijd. Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord op welke manier Verstegen er in slaagt om het middeleeuwse verleden van de Lage Landen productief te maken voor de confessionele discussies van zijn eigen tijd. Mijn antwoord op die vraag gaat uit van de gedachte dat de historische informatie Verstegen bijzondere mogelijkheden verschafte voor een effectieve autorisatie en memorisatie van zijn contrareformatorische betoog. Ik zal deze gedachte in de rest van dit artikel uitwerken, waarbij ik eerst de historische context van de Nederlantsche antiquiteyten zal beschrijven. Vervolgens ga ik nader in op de manier waarop Verstegen autoriteit niet alleen thematiseert, maar ook creëert en in het bijzonder op de rol van historische kennis hierbij. Ten slotte zal ik aandacht besteden aan de manier waarop Verstegen er voor zorgt dat zijn betoog zo goed mogelijk beklijft. Ik zal laten zien dat hij hierbij op een interessante wijze gebruik maakt van de intermediale aspecten van de vroegmoderne historische cultuur en de wisselwerking van tekst en illustratie.

Politiek-religieuze context van de Nederlantsche antiquiteyten

Richard Verstegen was rond 1548 geboren in Engeland uit een van oorsprong Gelderse familie. In 1569 verliet Verstegen de universiteit van Oxford waar hij toen studeerde, omdat hij als toegewijd katholiek vreesde een eed te zullen moeten afleggen aan het hoofd van de protestantse Church of England. Na een carrière als goudsmid moest Verstegen uiteindelijk in 1582 uit het land vertrekken omdat hij een pamflet had geschreven over de terechtstelling van Engelse priesters. In 1585 vestigde hij zich in Antwerpen en leefde daar als pensionaris van de koning van Spanje. Hij zette het schrijven van antiprotestantse pamfletten voort, werkte als schrijver van nieuwsberichten, als boekverkoper, als informant van de Engelse katholieke missie, als vertaler, als wetenschapper en als handelaar. Verstegen onderhield nauwe contacten met kardinaal William Allen en met de jezuïet Robert Persons, twee centrale figuren in de katholieke campagne om Engeland te herwinnen voor het ware geloof. Verstegen stierf in Antwerpen in 1640.13

Het katholicisme is zonder meer een rode draad door het leven van Verstegen en ook in de Nederlantsche antiquiteyten is Verstegens enthousiasme voor de katholieke zaak moeilijk over het hoofd te zien. Maar hoe verhield zijn betoog zich precies tot de concrete politiek-religieuze werkelijkheid van zijn eigen tijd?

In het algemeen kan men stellen dat religie in het tijdperk van de confessionalisering dikwijls onlosmakelijk was verbonden met politiek. Met een beroep op het cuius regio eius religio van de godsdienstvrede van Augsburg (1555) werden wereldlijke heersers vaak actieve deelnemers aan de Contrareformatie met het oogmerk hun eigen politieke doelen te verwezenlijken. Diverse vorsten die religieuze uniformiteit in hun territoria probeerden te bewerkstelligen beperkten zich daarbij niet tot propaganda, maar probeerden de volgzaamheid van hun onderdanen af te dwingen door controle van de openbare zedelijkheid, straffen op het weigeren van sacramenten en verbanning van koppige ketters.14

Dit was echter niet de politieke praktijk in de Zuidelijke Nederlanden. Hoewel aartshertog Albrecht van Oostenrijk samenwerkte met de katholieke kerk om de doelen van de Contrareformatie te realiseren, was er niet zelden weerstand op het lokale niveau. Dwingende politiek op dit punt zou slecht sporen met de commerciële belangen van de steden. Aartshertog Albrecht probeerde dan ook niet via repressie religieuze conformiteit af te dwingen (wat eerder de politiek van de Habsburgers was geweest), maar gebruikte veeleer zijn devotie om zichzelf als vorst te legitimeren.15

Zeker in Antwerpen werd afgezien van het afdwingen van religieuze eenvormigheid. De stad had tijdens de jaren na de inname door Farnese in 1585 de helft van zijn bevolking verloren doordat de protestanten geleidelijk aan de stad hadden verlaten. Deze ontwikkeling is mogelijk een belangrijke factor geweest in de tolerante en voorzichtige houding van het stadsbestuur: allicht wilde men voorkomen dat nog meer inwoners zouden vertrekken. Deze houding was extra belangrijk tijdens het Twaalfjarig Bestand van 1609–1621, dat een vrij verkeer van personen tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden voorschreef en daardoor nieuwe vluchtmogelijkheden creëerde.16

Anderzijds voltrok zich in de Zuidelijke Nederlanden in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw een katholieke revival onder de bevolking, waarbij coalities van geestelijken en wereldlijke elite private initatieven ondernamen om bijvoorbeeld nieuwe ordes of broederschappen te vestigen en kapellen te stichten. Vanuit de religieuze instituties zette men in op prediking en catechese. Er was dus in de Zuidelijke Nederlanden veeleer sprake van een opleving van het katholicisme ‘van onderop’ dan van het opleggen van het katholieke geloof door de hoogste politieke machthebbers.17

Verstegens Nederlantsche antiquiteyten moeten zonder meer worden gelezen als een onderdeel van de katholieke revival. Aangezien het traktaat is geschreven in de volkstaal, opgedragen aan de burgemeesters en schepenen van Antwerpen en expliciet geadresseerd aan de inwoners van de Lage Landen, was het waarschijnlijk bedoeld voor een klasse van magistraten en handelaars die voldoende vrije tijd en opleidingsniveau hadden om historische exposés op prijs te stellen.18 De formele aanleiding voor de publicatie was de wijding van de herbouwde parochiekerk van St. Willibrord.19 In de literatuur is tevens opgemerkt dat de bevordering van de devotie tot St. Willibrord en St. Bonifatius als stichters van de kerk in de Nederlanden een van de tactieken van het contrareformatorische offensief was.20 Ook de publicatie van het traktaat tijdens het Bestand was geen toeval. In de literatuur is opgemerkt dat het Bestand meer ruimte gaf voor interactie tussen Noord en Zuid, waardoor ook meer discussie over religieuze kwesties op gang kwam.21 Verder is gewezen op het gegroeide zelfvertrouwen van de protestanten in de Zuidelijke Nederlanden tijdens het Bestand.22

De vraag of Verstegen zich met de Nederlantsche antiquiteyten specifiek richtte op bepaalde religieuze groeperingen is moeilijk te beantwoorden. Als religieus pamflet was het traktaat in ieder geval geschikt om katholieken in hun geloof te sterken en twijfelaars aan te spreken. Vanwege de felle bespotting van protestanten in het traktaat betwijfel ik of Verstegen mocht verwachten ook deze groep te kunnen overtuigen van zijn standpunten.

De autorisatie van het betoog: historische gegevens als theologische argumenten

Zowel bij het stichten van medestanders en het overhalen van twijfelaars als bij het overtuigen van tegenstanders is de autoriteit van de spreker cruciaal. Verstegen was zich daar ongetwijfeld van bewust, en in het contrareformatorische discours waar de Nederlantsche antiquiteyten deel van uitmaken is autoriteit ook een belangrijk thema. In reactie op de doctrine van sola scriptura moest immers worden aangetoond op welke bron van gezag het katholieke geloof uiteindelijk steunt. Volgens Verstegen is de toekenning van alle autoriteit aan de Schrift zelf een vergissing, aangezien de gelovige in dat geval nooit kan weten dat de Schrift inderdaad de waarheid bevat. Daarvoor is een externe autoriteit nodig.23 Verstegen is er dan ook van overtuigd dat de overtuigingskracht van een tekst in laatste instantie is gelegen in bronnen van gezag die buiten de tekst liggen.24 Zoals we ook hierboven hebben gezien leidt de doctrine van sola scriptura er volgens Verstegen toe dat iedereen de Schrift op een idiosyncratische en vooral ook opportunistische manier gaat interpreteren.25 Verstegen lijkt zich er van bewust dat de interpretatie van een complexe tekst zoals de Bijbel een proces is dat kan resulteren in talrijke en diametraal tegenovergestelde lezingen.

Verstegen ontkent echter expliciet de mogelijkheid van een meervoudige waarheid.26 Bovendien denkt hij dat we de waarheid ten minste deels kunnen kennen. Apostoliciteit is de sleutel tot deze kennis. Apostelen zijn immers gezonden door Christus zelf (het woord komt van het Griekse ἀπoστέλλω, ‘uitzenden’) en ze kunnen worden herkend aan de wonderen die ze verrichten en die zijn gedocumenteerd.27 In het apostolisch credo hebben zij verklaard dat de heilige katholieke kerk kan worden geloofd.28 En het was vervolgens deze Kerk, bekleed met apostolisch gezag, die heeft verordend dat de Schrift als waar moet worden aanvaard. De katholieke kerk heeft dus doorslaggevende autoriteit in religieuze zaken, waaronder de interpretatie van de Schrift. In Verstegens visie is het niet de Bijbel die de Kerk bekleedt met religieuze autoriteit – zoals de protestanten betoogden – maar werkt het juist tegenovergesteld: de Kerk autoriseert de Schrift.29

Verstegens ideeën over de manieren waarop lezers omgaan met teksten, en vooral de manier waarop zij zich de waarheden die in de tekst liggen opgesloten eigen maken of juist niet, moeten zich uiteindelijk tegen hem keren. Wat zal de lezer er immers van weerhouden om de Nederlantsche antiquiteyten zo te interpreteren als hem of haar goeddunkt? Ook voor Verstegen zelf speelt dus het probleem van de constructie van autoriteit. Op dit punt bood het vaderlandse verleden Verstegen een uitkomst: zoals ik hieronder zal betogen was het combineren van een pleidooi voor bekering met een historisch perspectief van cruciaal belang voor het gezag van Verstegens confessionele retoriek.

Deze synergie van geschiedenis en theologie krijgt primair vorm doordat Verstegens reconstructie van het verleden in de eerste hoofdstukken wordt omgezet in argumentatieve instrumenten in het laatste hoofdstuk. De inhoud van die eerste geschiedkundige hoofdstukken is ongeveer als volgt. In het eerste hoofdstuk wordt beschreven dat de Lage Landen onder een uitgestrekt wateroppervlak lagen tot enige tijd na de Zondvloed. In het tweede hoofdstuk worden de redenen gegeven waarom ‘de platte ende effen Nederlanden, die te voren wooningen van visschen waren, de wooningen van menschen ende dieren sijn gheworden’.30 In het derde hoofdstuk wordt verteld hoe de Engelsen, die toen nog steeds op het Europese vasteland leefden, naar Brittannië verhuisden, hoe ze uiteindelijk het christelijk geloof aannamen en hoe zij begonnen het geloof te verspreiden in de Lage Landen, waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. Hoofdstuk vier gaat in op de taal waarin Willibrord gepreekt moet hebben en op de heidense goden die de oorspronkelijke inwoners van de Nederlanden vereerden. Het vijfde hoofdstuk geeft korte biografieën van Willibrords compagnons, een langere beschrijving van Willibrords eigen leven en een vertaling van zijn testament.

Sommige elementen uit het historische overzicht, vooral uit de hoofdstukken vier en vijf, zijn direct dienstbaar aan de argumentatie van het laatste hoofdstuk. Al die elementen hebben te maken met het bekeringsproces van de heidense Germaanse stammen. De eerste hints daarvoor worden gegeven in hoofdstuk drie, waarin wordt gesproken over de bekering van Brittannië door St. Augustinus van Canterbury en over de eerste pogingen tot kerstening van de Lage Landen door St. Wilfridus, St. Egbert en St. Wigbert. De verhalen van deze missionarissen (dat van Egbert in het bijzonder) tonen een belangrijke waarheid voor Verstegen: de ware missionaris moet een apostel zijn, hij moet zijn gezonden door God en de Kerk. In het geval van Egbert is dit expliciet niet het geval, aangezien een monnik hem tot twee keer toe kwam vertellen dat hij in een visioen gewaarschuwd was dat Egbert Engeland niet moest verlaten. Toen hij toch scheep ging, geraakte hij in een zware storm waaraan hij ternauwernood kon ontsnappen.31

Het motief van apostoliciteit, zo belangrijk voor Verstegen, wordt weer opgenomen in het vierde hoofdstuk. Verstegen citeert de vraag van Paulus uit Romeinen 10:14–15 (‘hoe salmen preken, ten sy datmen ghesonden wordt’) en laat vervolgens zien dat St. Willibrord op zijn missie gestuurd werd door de Merovingische hofmeier Pepijn van Herstal, door paus Sergius I en door St. Egbert.32 Bovendien introduceert dit hoofdstuk de wonderen van Willibrord die zijn apostelschap bevestigen:

Dat desen heylighen Apostel het oprecht woordt Godts ghepreekt heeft, dat heeft ghebleken aen de Goddelijcke cracht die daer mede is werckende geweest, want sijn leeringhe is gheconfirmeert gheweest deur sijn heylich leuen, ende deur sijn claer mirakelen.33

In het vijfde hoofdstuk wordt nader ingegaan op deze wonderen, waaronder een profetische droom van zijn moeder toen zij zwanger was, een zwaardslag op zijn hoofd die geen wond veroorzaakte, de onmiddellijke dood van de heidense agressor, een wijnfles die nooit leeg raakte en het ontspringen van een fontein.34 Zoals de figuur van de apostel het gezag van de Bijbel ondersteunt, zo wordt hij ook geacht een steviger fundament aan Verstegens pleidooi te geven. Verstegen probeert het Nederlandse katholicisme een basis te geven in de door wonderen geschraagde legitimiteit van zijn apostel Willibrord.

Een ander thema van het historische exposé waarop wordt voortgeborduurd in het laatste hoofdstuk is dat van de verschuldigde dankbaarheid. De gedachte dat gereformeerde christenen ondankbaar zijn wanneer zij Willibrords inspanningen voor hun geestelijke welzijn afwijzen was al geïntroduceerd in de epigrammen aan het begin van het traktaat.35 De gedachte wordt herhaald in hoofdstuk vier.36 Hetzelfde hoofdstuk gaat uitvoerig in op ‘alle dese afgryselijcke Afgoden ende duyvelrijen’, zodat de inwoners van de Nederlanden ‘des te claerder mogen sien wat Hemelsche deucht dat hun deur hunnen heylighen Apostel sinte Willibrordus gheschiet is’.37

Autorisatie van de historische gegevens: primair materiaal en bronnenverwijzingen

Door de vertelling van het leven van St. Willibrord, zijn voorgangers en zijn compagnons legt Verstegen dus de feitelijke grondslagen voor zijn uiteindelijke betoog. In retorische termen is het een soort narratio die de latere probatio voorbereidt: de gebeurtenissen die worden uiteengezet in de eerdere hoofdstukken kunnen later waar nodig worden ingezet als gezaghebbende feiten die Verstegens centrale stelling dat het katholicisme het ware geloof is kunnen ondersteunen.38 Natuurlijk merkt de zorgvuldige lezer op dat dit het autoriteitsprobleem slechts verplaatst van het theologische naar het historische domein. Toch is dit winst, omdat dit laatste veld veel minder het toneel is van verhitte debatten dan het eerste, zodat het tot stand brengen van gezag daar veel eenvoudiger is. Dit geldt in het bijzonder voor de historische informatie over Willibrord, die zich voor zover bekend niet had ingelaten met omstreden religieuze praktijken zoals de verkoop van aflaten en bovendien geen geschriften had nagelaten die vervolgens inzet zouden kunnen worden van een theologisch debat. Daarom heeft het voor Verstegen zin om zijn specialistische kennis van geschiedkundige en antiquarische discoursen in stelling te brengen in een poging om vaste grond onder zijn voeten te creëren.

Daarbij moet Verstegen er uiteraard wel zorg voor dragen dat de informatie die hij aanlevert een betrouwbare indruk maakt.39 Een belangrijke tactiek hierbij is het aanvoeren van primaire historische bronnen. In het bekeringsnarratief van hoofdstuk vier en vijf valt Verstegen daarvoor in belangrijke mate terug op antiquarische discoursen over het Germaanse heidendom en de Angelsaksische taal. Een groot deel van het vierde hoofdstuk wordt bijvoorbeeld gebruikt om aan te tonen dat Willibrord kon worden verstaan door de inwoners van de Lage Landen omdat zij dezelfde taal spraken, namelijk degene die we vandaag de dag Oud-Engels noemen. Volgens Verstegen stamden zowel het Engels als Nederlands van deze taal af. In zijn eigen antiquarische studie getiteld A Restitution of Decayed Intelligence in Antiquities (1605) had Verstegen pionierswerk verricht op het gebied van het Oud-Engels en de meerderheid van zijn etymologieën wordt nu nog geaccepteerd.40 Het interessante hieraan is dat hij kennis put uit geleerde discoursen om zijn argumenten in een meer populair werk te ondersteunen en daarbij zelfs zo ver gaat dat hij tamelijk grote hoeveelheden Oud-Engelse bijbelverzen citeert om zijn beweringen te staven, en dit op een moment dat het onderzoek naar het Oud-Engels nog in de kinderschoenen stond.41

Dezelfde impressie van nauwkeurig onderzoek spreekt uit Verstegens lange uiteenzetting over de Angelsaksische godenwereld.42 Uitgaande van de namen van de weekdagen beschrijft Verstegen de zeven belangrijkste godheden: de Zon, de Maan, Tuisco, Wodan, Thor, Freya en Seater. Hij vertelt de lezer welke krachten zij geacht werden te bezitten en welke attributen gebruikt werden om deze krachten te symboliseren. Om de verbeelding van de lezers te stimuleren werden deze paragrafen geïllustreerd met curieuze afbeelden van de cultusbeelden van deze goden. Ik heb hier een afbeelding ingevoegd van de zonderlinge godheid Seater, die met zijn blote voeten op de stekels van een baars staat, hetgeen volgens Verstegen de bescherming symboliseert die hij geacht werd te geven aan reizigers (afb. 1). Rolf Bremmer heeft laten zien dat Verstegens behandeling van de heidense goden, inclusief de afbeeldingen, rechtstreeks teruggaat op een beroemd werk van de Zweedse geleerde Olaus Magnus, de Historia de gentibus septentrionalibus, die voor het eerst werd gedrukt in 1555.43

Ook al zal hij misschien af en toe tussenbronnen hebben gebruikt, het blijft opvallend dat Verstegen niet alleen de contemporaine historische en antiquarische wetenschap kent als zijn broekzak, maar dat hij ook goed op de hoogte is van het klassieke en middeleeuwse bronnenmateriaal. Onder zijn klassieke en vroeg-christelijke bronnen zijn onder meer Caesar, Ovidius, Plinius de Oudere, Tacitus, Suetonius, Servius, Eusebius, Irenaeus, Athanasius en Epiphanius; de middeleeuwse documentatie omvat onder andere de Middelnederlandse dichter Melis Stoke, de Duitse encyclopedist Dietrich Engelhus, de Frankische dichter Otfried van Weissenburg, de Deense historicus Saxo Grammaticus en de Engelse geschiedschrijver Beda. Ook in dit opzicht functioneerden de Nederlantsche antiquiteyten dus als een schakelpunt in de distributie van kennis van specialistische onderzoeksgebieden naar breder toegankelijke (‘lagere’) fora, waarmee hij een bron van autoriteit introduceerde die indirect Verstegens controversiële positie in theologische discussies kon ondersteunen.

Zonder twijfel kan het aanvoeren van historische curiositeiten op zichzelf al een bijdrage leveren aan een meer gezaghebbende uitstraling van een tekst. Desalniettemin is het zeker niet onverstandig om deze inhoudelijke strategie te ondersteunen op het niveau van de presentatie. Het meest duidelijke voorbeeld van een dergelijke strategie zijn bronverwijzingen. Inderdaad doet Verstegen geen moeite om te verbergen waar zijn informatie vandaan kwam. Veel van de bronnen die ik zojuist heb opgesomd, worden ook door Verstegen zelf genoemd. Een goed voorbeeld is zijn verslag van een gesprek met Justus Lipsius:

Als ic op een tijt den weerdigen gerenomeerden Iustus Lipsius saliger memorien van desen oorspronck van den naem van Sassen was discoureerende, soo heeft hy mijne redenen niet alleen gheapprobeert, maer hy dede my indachtich sijn dat […]44

Genrespecifieke autorisatiestrategieën

In veel gevallen verwijst Verstegen naar zijn bronnen met werkwoorden zoals ‘betuyghen’ of ‘ghetuyghen’ die laten zien dat hij hen als getuigen ziet. Dit zou de lezer erop moeten attenderen dat deze auteurs moeten worden beschouwd als een ondersteuning van Verstegens theses, maar dat hun autoriteit niet onvoorwaardelijk is. Inderdaad bekritiseert Verstegen zijn klassieke en contemporaine informanten op een paar plekken in zijn traktaat, meestal wanneer ze elkaar tegenspreken.

Als gevolg daarvan heeft Verstegen voor een effectieve presentatie niet alleen getuigen nodig, maar ook een instantie die hun getuigenissen kan beoordelen; net als bij de autorisatie van de Bijbel moet er een extratextuele bron van gezag worden aangewezen. Daarom presenteert Verstegen zichzelf als een kritisch onderzoeker met behulp van zinnen als ‘de welcke redenen wy sullen nu hier gaen ondersoecken’ of ‘maer de meeste ende apparentste reden hier toe dienende is ghelegen in het ondersoecken hoe ende deur wat middel dat dese nederlanden die zee sijn gheweest sijn daer naer landt geworden’.45 Het is overigens interessant dat Verstegen niet alleen zijn historische werk presenteert als een afstandelijk onderzoek, maar ook zijn theologische betoog met vergelijkbare uitdrukkingen lardeert.

De creatie van een gezaghebbend ethos als onderzoeker begint overigens al direct met de openingszin van zijn dedicatie aan de burgemeesters en schepenen van Antwerpen,46 waarin hij aan de publicatie van A Restitution refereert:

Edele Eerweerdighe Heeren, het is nv ontrent seuen iaeren gheleden, dat ick gheschreuen hebbe, ende aen den Coninck van groot Britannien gedediceert een Boeck van Antiquiteyten, aengaende de Engelsche natie […]47

Soms komt ook de subjectiviteit van Verstegens oordeel aan de oppervlakte in de formulering: ‘ende in mijn opinie’ of ‘ben ick te meer gheconfirmeert’.48 Maar vaker claimt Verstegen gewoonweg de waarheid of grote waarschijnlijkheid van de conclusies die hij trekt: ‘hier van en canmen niet anders iudiceren’, ‘gheheel onschijnelijck is’, ‘soo moet-men dan ghelooven’, ‘en can gheen twijfel sijn’.49 Hieruit ontstaat idealiter de indruk van een waarheidlievende historicus.50

De strategieën die ik tot dusverre heb besproken – bronnenverwijzingen, zelfpresentatie als een kritisch onderzoeker en waarheidsclaims – worden vooral geassocieerd met het genre van de historiografie. Dat geldt ook voor het gebruik van narratieven. Een van de voordelen van deze presentatiemodus is de klaarblijkelijke neutraliteit van de constatering: een vertelling ziet er onpartijdig en feitelijk uit, zeker wanneer het sprekende subject niet te veel naar zichzelf verwijst. Desalniettemin heb ik laten zien dat de korte narratieve passages waarin Willibrords leven beschreven wordt een sleutelfunctie hebben in de voorbereiding van het betoog in het laatste hoofdstuk. Het falen van de ‘ongezonden’ prediker Egbert en het succes van de ‘ware’ apostel Willibrord brengen impliciet de gedachte over dat een missionaris een door God gezonden apostel moet zijn om succes te kunnen hebben, een aanname die van cruciaal belang is voor het gezag van Willibrord en in het verlengde daarvan voor het katholicisme in de Lage Landen.

Maar er zijn ook literaire strategieën van self-empowerment in de Nederlantsche antiquiteyten die nauw verbonden zijn aan andere technische discoursen waarmee Verstegen bekend was. Door deze in te zetten maakt hij handig gebruik van het feit dat, zoals in het verleden vooral door Foucault is betoogd, de auteursfunctie en daarmee de vorming van autoriteit in verschillende discoursen vaak verschillend wordt vormgegeven.51

De dominante tekstsoort in de eerste vijf hoofdstukken is antiquarische argumentatie. Deze bestaat uit observaties en argumenten en leidt tot een reconstructie van het verleden. Om structuur te geven aan zijn werk verwijst Verstegen vaak expliciet naar dit proces van argumentatie met uitdrukkingen zoals ‘dat canmen deur verscheyden redenen proberen’.52 Een specifieke vorm is argumentatie door middel van voorbeelden, waarbij Verstegen één voorbeeld introduceert om zijn punt te maken en vervolgens claimt dat hij veel meer voorbeelden zou kunnen aanvoeren.

De kracht van deze argumentatieve modus is erin gelegen dat hij een verklaring biedt voor de geponeerde stellingen en dat hij in staat is rivaliserende visies onschadelijk te maken. Een nadeel is dat zijn polemische kant voortdurend zijn eigen kwetsbaarheid blootlegt: voortdurend wordt immers geïmpliceerd dat ook een andere positie kan worden gekozen, dat men het oneens kan zijn met het argument. Dit probleem is afwezig of in ieder geval minder sterk in de beschrijvende variant van het antiquarische discours. Verstegen gebruikt dit procedé vooral in zijn beschrijving van de heidense religie. Zulke beschrijvingen kunnen worden ondersteund door schema’s en illustraties. Verstegen gebruikt illustraties voor de heidense cultusbeelden en een soort genealogische schema’s voor zijn ideeën over de ontwikkeling van de Germaanse talen (afb. 2).

Het derde hoofdmodel voor Verstegen is de redevoering. Hoewel het laatste hoofdstuk wordt ingekaderd als een onderzoek, een overdenking, was de polemist Verstegen tot de tanden gewapend en aarzelde hij niet zijn retorische arsenaal volledig in te zetten. De belangrijkste techniek was die van praesumptio: het anticiperen van de argumenten of tegenwerpingen van de tegenstander.53 Het herhaalde gebruik van deze techniek lijkt de tekst een dialogisch karakter te geven en suggereert onderzoek. Maar uiteindelijk komt het neer op een soort van antwoordmodel (‘Q&A’) voor goede katholieken. Het verschaft gelovigen kant-en-klare antwoorden op allerlei soorten moeilijke protestantse vragen. Niet zelden zijn de antwoorden overigens elegante retorische tegenvragen.

Desalniettemin kan er geen twijfel bestaan over het polemische karakter van Verstegens betoog. Hij presenteert de verschillende protestantse denominaties als ruziënde getuigen van een en dezelfde Reformatie, die dientengevolge geen vertrouwen verdienen.54 Hij noemt hen deserteurs van de katholieke kerk. Hij beschrijft hun gedrag als immoreel. Ook maakt Verstegen effectief gebruik van karikatuur. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een spottende passage over de protestanten:

Hier sietmen dagelijckx de schaepen teghens de schaep-herders met schriftueren stryden, de vrouwen teghens haere mans met schriftuere kyven, den knecht tegens sijnen meester met schrifture argueren, ende de reysende liedens te waegen oft te water malcanderen met schriftuere altemets om de ooren slaen.55

Met zulke (herkenbare?) situatieschetsen laat Verstegen zien dat ketterij niet slechts een kwestie van waarheid en onwaarheid, hemel en hel is, maar dat het probleem zich uitstrekt tot de fundamenten van de maatschappij en haar op losse schroeven zet: het verslappen van de sociale cohesie en het ontstaan van tweedracht behoren tot de vruchten waaraan de boom van de ketterij kan worden gekend (een metafoor die Verstegen ontleende aan Mattheüs 7:16).56

Verder blijkt de polemische tendens van het laatste hoofdstuk van de Nederlantsche antiquiteyten duidelijk uit het agressieve vocabulaire dat Verstegen gebruikt: Luther, Calvijn en Simons worden ‘de principaelste belhamers van die onghesonden Apostelschap’ genoemd en hij verwijst naar ‘onse ghereformeerde vrienden’ als ‘arme dwasen’ van wie alleen maar ‘gheraes’ komt.57

Verstegens ultieme retorische wapen tegen de geloofwaardigheid van de protestanten is zijn bijtende sarcasme. Het fraaiste voorbeeld is een passage waarin hij de spot drijft met de overtuiging van de calvinisten dat zij de erfgenamen van een onzichtbare kerk waren die tijdens de middeleeuwen was blijven voortbestaan. Deze gedachte werd bespot met een serie vragen zoals deze:

Heeft hy oyt gheseyt dat de werelt deur onsichtbaere leraers soude bekeert worden? Hoe costen onsichtbaere predicanten onder de heydenen reysen, om die tot Christum te bekeeren? De heydenen souden wel verschrickt sijn om menschen te hooren preken die sy niet sien en costen. Wie heeft oyt sijn leuen van sulcke sots grillen ghehoort?58

Het moge duidelijk zijn dat misschien wel de belangrijkste literaire techniek om autoriteit te verwerven in het laatste hoofdstuk negatief is: de deconstructie van de geloofwaardigheid van de ander.

Memorisatie: de afbeelding van Willibrord

Verstegens argumentatie dat het katholieke geloof het ware geloof is moest uiteraard niet alleen overtuigen, maar ook beklijven. Mijn gedachte is dat Verstegen de kans dat de lezer zijn schriftelijke betoog in de Nederlantsche antiquiteyten zal onthouden probeerde te maximaliseren met behulp van een iconisch beeld van St. Willibrord dat op het titelblad van het traktaat is opgenomen.

Dit mnemotechnische aspect van het overtuigingsproces werd onder mijn aandacht gebracht door een opmerking van Verstegen over preken in een van zijn Engelstalige werken: ‘words, being spoken to all in generall, are of all generally let passe in at one eare, and out at the other, and as wynd become consumed and lost in the ayre.’59 Deze moeilijkheid werd ook erkend door andere contrareformatorische auteurs, zoals de Duitse prediker en buitengewoon productieve schrijver Matthäus Tympe. Deze suggereerde in zijn werk Der Ceremonien Warumb (1609) dat het geheugen vaak meer was gediend met het gebruik van ceremonies met afbeeldingen, terwijl de inhoud van preken snel werd vergeten: ‘was wir aber sehen, vnd was man mit eusserlichen gebräuchen mit vns handelt, das gehet uns tieff ins Gemüth, bewegt vns mehr, unnd läßt ein starcker gedächtnis inn unseren Gemühtern.’60

Tympe lijkt daarmee aan te sluiten bij de lange traditie van de klassieke retorica waarin werd verdedigd dat het geheugen kunstmatig kon worden verbeterd met behulp van plaatsen (loci) en afbeeldingen (imagines).61 Deze theorie houdt in dat het mogelijk is om de zaken die men wil onthouden te associëren met afbeeldingen die gemakkelijk beklijven en die vervolgens imaginair worden ‘opgeborgen’ in verschillende ruimtes van een gebouw dat men goed kent. Door in gedachten door het gebouw te lopen kunnen vervolgens de afbeeldingen worden opgeroepen die weer de associatie met de gememoriseerde zaken activeren.

Het visuele speelt dus een hoofdrol in deze theorie van de memoria artificiosa. Cicero spreekt in dit verband over ‘sprekende, doordringende en herkenbare afbeeldingen van het soort dat snel kan opkomen en doordringen in de geest.’62 In de Rhetorica ad Herennium wordt dit effect als volgt omschreven:

Dikwijls pakken we de herinnering van de hele zaak samen in één teken, een enkel beeld, bijvoorbeeld wanneer een aanklager heeft gezegd dat een man door de aangeklaagde met gif is vermoord, hij betoogt dat dat is gebeurd met het oog op de erfenis en hij zegt dat er veel getuigen en medeplichtigen van deze gebeurtenis waren. Als we dit willen onthouden zodat het ons van dienst kan zijn voor de verdediging, moeten we in de eerste plaats een beeld vormen van het hele gebeuren; we zullen ons de man over wie het gaat voorstellen als liggend in bed, als we zijn uiterlijk kennen; als we hem niet kennen, zullen we zomaar iemand nemen, maar niet van de laagste komaf, zodat hij ons gemakkelijk voor de geest kan komen. En we zullen de aangeklaagde naast zijn bed zetten met een beker in zijn rechterhand, schrijfplankjes in zijn linkerhand en de testikels van een ram aan zijn ringvinger. Op deze manier zullen we de herinnering van de getuigen, de erfenis en de man die met gif is vermoord kunnen vasthouden.63

Deze benadering van het geheugen is ook in de vroegmoderne tijd gemeengoed.64 Over de Reformatie en Contrareformatie is in het verleden wel beweerd dat zij een sterk beperkende werking hadden op deze praktijken, aangezien voorvechters van deze stromingen tegen heidense invloeden en de rijke visuele beeldtaal van de Renaissance zouden strijden: ‘aux yeux des puritains, la mnémotechnique de la Renaissance passait pour instrument périmé et diabolique, indigne de leur réforme générale des moeurs’.65 Zo algemeen gesteld is de bewering echter ongefundeerd. Ook rond het jaar 1600 was de ars memoriae nog springlevend en schreven katholieken zoals Girolamo Marafioto, Filippo Gesualdo en in ons eigen land Lambert Thomas Schenkel uitvoerige traktaten op dit gebied. Daarbij moet overigens wel worden aangetekend dat sommige exponenten van de meer hermetisch georiënteerde takken van deze traditie scherp in de gaten werden gehouden door de inquisitie en de censuur, met name wanneer zij het geheugen probeerden te ondersteunen met behulp van geheimzinnige tekens, waarmee zij de verdenking op zich laadden zich bezig te houden met zwarte magie.66

Het gebruik van dergelijke supervacua signa komt echter niet voor bij Verstegen. Ik wil overigens ook niet betogen dat Verstegen een vertegenwoordiger was van de vroegmoderne ars memoriae-traditie, maar veeleer dat de klassieke geheugentheorie kan bijdragen aan een beschrijving van de samenhang tussen tekst en beeld in de Nederlantsche antiquiteyten en de relevantie daarvan voor Verstegens retoriek kan laten zien. Zoals gezegd zal ik hierbij specifiek ingaan op de afbeelding van Willibrord op de titelpagina. Dat deze figuur een beeld was dat in ieder geval Verstegen makkelijk voor de geest kwam blijkt uit een epigram aan het begin van het werk, waarin Verstegen vertelt: ‘My docht dat hem S. Willibrordus vertoonde, /Claghende datmen hem soo qualijck loonde’.67

De verschillende onderdelen van de afbeelding geven de voor Verstegens betoog relevante punten uit het verhaal in een notendop weer (afb. 3). Het aureool maakt duidelijk dat Willibrord een heilige is, een idee dat nauw gerelateerd is aan zijn apostelschap, aangezien de vrucht van beide eigenschappen is dat hij wonderen verricht. De tabberd, staf en mijter tonen hem als bisschop, dat wil zeggen, als een katholiek. Het voorwerp in zijn hand moet wel Willibrords nimmer lege wijnfles zijn, die zowel zijn wonderlijke krachten als de viering van de mis zou kunnen symboliseren.68 Een tot de verbeelding sprekend object dus dat gemakkelijk beklijft. Op de achtergrond zien we het begin van het Nederlandse katholicisme: de kerk die werd gesticht door Willibrord. De zonsverduistering die in de weergave al voorbij de volledige eclips is, laat zien dat het licht van het christendom door de heidense duisternis heen breekt. De boom is het symbool van het leven, allicht het eeuwige leven dat wordt gegarandeerd door het katholieke geloof.

Deze symbolen maken deel uit van een iconografische traditie waarin Willibrord dikwijls herkend kan worden aan zijn bisschopsuitrusting, een aureool, een boom, een miniatuur van de Dom van Utrecht, een wijnvat dan wel één of meerdere flessen of een fontein.69 Ter illustratie en vergelijking heb ik zeventiende-eeuwse gravures van de hand van Jacob Matham (1571–1631) en Cornelis Bloemaert II (1603–1692) opgenomen waarin deze elementen ook goed herkenbaar zijn (afb. 4 en 5). De algemene bekendheid van de symbolen maakt het effect van de afbeelding als trigger voor het geheugen uiteraard alleen maar sterker: het zijn daardoor beelden die snel opkomen en doordringen in de geest, zoals Cicero voorschrijft.

Bovendien garandeert de rijke symboliek van de iconografie dat de herinnering van een complex verhaal kan worden samengepakt in één afbeelding. De lezer die een iconografische afbeelding zoals de gravure op de voorkant van het traktaat in het geheugen prent kan aan de hand daarvan later het hele verhaal over Willibrord voor de geest halen op de manier die al in de klassieke retorica werd beschreven. Het is daarbij overigens niet geheel ondenkbaar dat de klassiek geschoolde Verstegen bij deze keuze bewust teruggreep op de klassieke herinneringstechnieken of daardoor op het idee kwam de afbeelding te gebruiken. Een argument voor die stelling is te vinden in het gebruik van de zonsverduistering, die al in de Rhetorica ad Herennium speciaal als imago voor het oproepen van herinneringen wordt aanbevolen:

Gebruikelijke zaken verdwijnen gemakkelijk uit het geheugen, maar bijzondere en nieuwe beklijven langer in de geest. Niemand verwondert zich over de opkomst, de loop en de ondergang van de zon, omdat die dagelijks voorkomen; maar zonsverduisteringen wekken verwondering omdat ze zelden voorkomen, en zonsverduisteringen wekken meer verwondering dan maansverduisteringen omdat die laatste frequenter zijn. De natuur laat dus zien dat zij niet wordt geprikkeld door een gewone en gebruikelijke zaak, maar dat zij door een nieuwigheid of een bepaalde opvallende situatie wordt aangegrepen.70

In meer algemene zin kan ten slotte worden gesteld dat de dikwijls wonderlijke heiligenverhalen die in de iconografische traditie worden verbeeld door opmerkelijke voorwerpen ervoor zorgen dat de imagines voldoende onalledaags zijn om gemakkelijk te worden onthouden.

Door de besproken kenmerken van de afbeelding en de manier waarop vroegmoderne lezers omgingen met memorisatie was de functie van de afbeelding op de voorkant van de Nederlantsche antiquiteyten dus niet zonder meer uitsluitend decoratief. Bij het openslaan van het traktaat kon de afbeelding ineens het hele verhaal van Willibrord oproepen, voor zover dat vóór het lezen al bekend was bij de lezer. Daarna kon de afbeelding functioneren als een geschikte geheugensteun voor de belangrijke elementen van het verhaal. Ten slotte lag het voor een lezer die op zoek was naar een imago dat hem zou kunnen helpen het betoog te onthouden voor de hand dat hij een mentale koppeling zou maken tussen enerzijds de argumenten van Verstegen en anderzijds de onderdelen van de gravure waarmee de verhaalelementen werden gesymboliseerd waar het betoog op teruggreep. Zo kon de synergie van afbeelding en tekst de retorische effectiviteit van Verstegens werk versterken doordat zij de memorisatie van zowel het verhaal van Willibrord als Verstegens theologische betoog potentieel vergemakkelijkten.

Conclusie

In dit artikel heb ik laten zien hoe Verstegen in zijn Nederlantsche antiquiteyten (1613) het vaderlandse verleden gebruikte ter ondersteuning van zijn contrareformatorische betoog. Met name het middeleeuwse verhaal over de bekering van de Lage Landen door Willibrord kon door Verstegen worden gebruikt ter onderbouwing van zijn stelling dat het katholicisme het ware geloof was. Dat had tevens als voordeel dat hij de discussie kon verschuiven naar het historische domein, waar het autoriseren van een tekst door middel van onder meer bronvermeldingen, waarheidsclaims en verwijzingen naar de eigen activiteit als onderzoeker minder problematisch was dan in het sterk polemische theologische discours van de vroege zeventiende eeuw. Verstegens retoriek werd bovendien ondersteund door een slim gebruik van de iconografie van Willibrord in de gravure op de titelpagina van het traktaat. De symbolen hierin geven de belangrijkste elementen uit het verhaal nog eens weer en vergemakkelijken daarmee het memoriseren van het verhaal door de lezer. Beide strategieën (autorisatie en memorisatie) zijn een integraal onderdeel van het gebruik van het vaderlandse verleden als ammunitie in actuele conflicten en belangrijke voorwaarden voor het slagen daarvan.