Omstreeks 1600 werkte de Mechelaar Jan van Wachtendonck aan een breedvoerige kroniek van zijn stad.1 Wachtendonck behoorde tot de notabelen van de stad Mechelen en maakte bijna permanent deel uit van het stadsbestuur als schepen of als burgemeester tot aan zijn dood in 1622. Voor zijn kroniek baseerde Wachtendonck zich op een tekst die ongeveer honderd jaar ouder was, een stadskroniek van Mechelen getrokken uit diverse bronnen.2 In de versie van Wachtendonck is deze tekst echter sterk uitgebreid. Niet alleen is zijn stijl breedvoeriger, hij voegde ook nieuwe elementen toe. Een episode die zeer sterk zijn stempel draagt, is het relaas van het beleg van de stad Neuss aan de Rijn door Karel de Stoute in 1474–1475. Wachtendonck herschreef de laatvijftiende-eeuwse versie met nadrukkelijke aandacht voor de rol van de Mechelse schutters en een vergoelijkende houding ten opzichte van de zware belastingpolitiek van de hertog.

Wachtendoncks beschrijving van het beleg van Neuss staat niet op zichzelf. Uit diverse andere bronnen blijkt dat in de loop van de zestiende eeuw het beleg en de rol die de Mechelse schutters erbij speelden in de Mechelse stedelijke historiografie en herinneringscultuur een eigen leven zijn gaan leiden. In sommige versies vinden we bijvoorbeeld een verhaal terug van een Mechelse schutter, Wouter de Leeuw, die erin slaagde om met een list een boogschutter op de muren van de belegerde stad uit te schakelen en zo in de gratie van de hertog kwam.3 Dit motief is ook afgebeeld op een schilderij van het beleg dat in 1562 door het Mechelse stadsbestuur werd besteld en dat tot op de dag van vandaag in het stadhuis wordt bewaard. Van dit schilderij werd vrij snel een kopie vervaardigd, wat samen met de vele kroniekversies getuigt van een levendige aandacht in de tweede helft van de zestiende eeuw voor dit laatmiddeleeuwse conflict. Deze aandacht bleef in de zeventiende eeuw voortduren: nog in 1675 vinden we in Remmerus Valerius’ Chronyck van Mechelen, die samen met de Mechelschen Almanach in afleveringen verscheen, het relaas van de roemrijke belegering van Neuss en de hoofdrol voor de schutter Wouter de Leeuw.4 Ook hing in de schutterskamer van de Mechelse Oude Kruisbooggilde een memorietafel met een lofdicht op de namen van de gesneuvelde schutters, waarvan nog in 1703 een papieren afschrift werd vervaardigd.5

In deze bijdrage gaan we op zoek naar antwoorden op de vraag waarom en door wie de herinnering aan het beleg van Neuss nog eeuwen na datum in Mechelen levend werd gehouden.6 Aangezien het beeld van het beleg in Mechelse ogen door de jaren heen enigszins is vertroebeld, is het nodig eerst kort te schetsen hoe het beleg in 1474 naar alle waarschijnlijkheid verlopen is. Vervolgens komen de Mechelse versies aan bod, waarbij we Jan van Wachtendoncks laatzestiende-eeuwse visie confronteren met die van de Mechelse stadskroniek uit de late vijftiende eeuw die hij als basis gebruikte. Duidelijk zal worden dat de aanzienlijke wijzigingen die Wachtendonck in zijn lezing van het beleg uit 1474 aanbrengt, passen in een bredere herinneringscultuur die van stadswege in de late zestiende eeuw werd uitgedragen.

Het beleg van Neuss

Karel de Stoute, de vierde Bourgondische hertog van het huis Valois, staat bekend om zijn ambitieuze politiek. Zijn buitenlands beleid werd gekenmerkt door een sterke drang tot gebiedsuitbreiding, en in het bestuur van zijn landen voerde hij centraliseringen door om de grenzen tussen de verschillende delen van zijn rijk te doen vervagen. In 1473 onderhandelde hij met de Duitse keizer Frederik III om een ambitie te realiseren die zijn vader Filips de Goede al koesterde: een koningskroon voor de Bourgondische tak van het huis Valois, met op termijn de mogelijkheid om tot Duitse keizer te worden verkozen.7 De onderhandelingen liepen spaak, maar Karel liet zich niet van zijn stuk brengen. Zowel de instelling van een Parlement en een Rekenkamer in Mechelen als de militaire manoeuvres in het oosten van zijn gebieden kunnen worden beschouwd als een rechtstreeks gevolg van de mislukte onderhandelingen.8 Met de vestiging van de centrale instellingen in Mechelen, naar het voorbeeld van het Parlement de Paris, werd de kleine stad aan de Dijle de facto verheven tot ‘hoofdstad’ van de Bourgondische Nederlanden.9 Het wekt dan ook geen verwondering dat toen Karel enkele maanden later de steden in zijn rijk om militaire steun verzocht voor zijn campagne in het oosten, Mechelen herhaaldelijk op zijn vraag inging en niet alleen schutters, maar ook kolveniers, militair materieel en timmerlieden zond.10

De stelselmatige machtsuitbreiding van de Bourgondische hertogen tussen het Franse koninkrijk en het Duitse keizerrijk zorgde, zeker onder Karel de Stoute, bijna voortdurend voor gespannen verhoudingen tussen de hertog en zijn vorstelijke leenheren. Na de mislukte onderhandelingen over een koningskroon in Trier in 1473, waarbij Frederik III Karel op het allerlaatste moment in de kou liet staan, nam Karel de Stoute een vijandiger houding aan ten opzichte van de Duitse keizer. De spanningen kwamen tot een hoogtepunt in 1474, toen Karel zich mengde in een conflict dat in principe buiten zijn bevoegdheid viel.11 De hertog verleende zijn steun aan de nieuw aangestelde bisschop van Keulen, Ruprecht von der Pfalz, tegen het Keulse kapittel, dat zijn aanstelling betwistte. Rond beide strijdende partijen groepeerden zich medestanders en op deze manier toonde dit Keulse conflict de tegenstelling die in het gehele Duitse rijk was gegroeid tussen voor- en tegenstanders van keizer Frederik III.12

Op het moment dat Karel met zijn leger oostwaarts trok, was hij al befaamd als de meest geduchte vorst en veldheer van zijn tijd.13 Een leger onder zijn leiding gold als onoverwinnelijk, en het Keulse kapittel liet dan ook niet na terstond de hulp in te roepen van de Duitse keizer omdat het alleen onmogelijk de overmacht van de hertog zou kunnen weerstaan. Frederik III was Karels antipode. Hij staat in de literatuur bekend als een bedachtzaam, voorzichtig man, die in het nemen van belangrijke beslissingen nooit over één nacht ijs ging en daardoor veelal besluiteloos bleef.14 Hoewel een rijksleger dus relatief snel op de been moest worden gebracht, talmde de keizer met het nemen van beslissingen en bleef een daadkrachtige interventie lang uit.

In de zomer van 1474 sloeg Karel het beleg voor de poorten van het Rijnstadje Neuss. De stad Keulen werd immers te sterk verdedigd en in het kleinere Neuss had het Keulse kapittel traditioneel een vurige aanhang. Ondanks het relatief kleine belang van de stad beschikte Neuss over een efficiënte natuurlijke en door mensenhand gebouwde verdediging. De stad was sterk ommuurd, en aan de zijde van de rivier werd ze beschermd door drie eilanden gevormd door zijarmen van de Rijn.15 Een traditioneel beleg was onmogelijk. De eerste maanden poogde Karel op allerlei manieren deze natuurlijke voordelen weg te nemen of af te zwakken. Er werden dammen en bruggen gebouwd, een poging werd ondernomen om de vestinggracht van de stad droog te leggen, maar dit alles mocht niet baten. Hoewel het Bourgondische leger er herhaaldelijk in slaagde om tijdelijk door de verdediging te breken, kon de hertog de hoge verwachtingen niet inlossen. Neuss, uitgehongerd en onder voortdurend artillerievuur, wilde niet wijken.

Ondertussen talmde de Duitse keizer in het organiseren van de verdediging. Toen in mei 1475 het Duitse rijksleger dan toch arriveerde, bijna een jaar na het begin van het beleg, werd al snel duidelijk dat Frederik III niet uit was op een open confrontatie, maar eerder door zijn dreigende aanwezigheid onderhandelingen wilde afdwingen.16 Na enkele confrontaties tussen de voorhoedes van beide legers trok de keizer zich terug in een versterkt kamp niet ver van de belegerde stad. Het was nu wachten op de pauselijke gezant Alessandro Numai, bisschop van Forlì, die er op 29 mei in slaagde om tussen beide vorsten een vrede te onderhandelen. Het zou echter nog tot eind juni duren eer beide legers hun kampen hadden opgebroken, niet zonder onderlinge schermutselingen.

Onze kennis van het verloop van dit beleg is voornamelijk gebaseerd op eigentijdse verslagen van Bourgondische kroniekschrijvers, op vele punten aangevuld met gegevens uit brieven van de hertog en aanwezige buitenlandse (met name Milanese) ambassadeurs.17 Ook de Keulse kant van het verhaal is bekend, onder meer via een Duitstalige kroniek die kort na het beleg werd gedrukt, en via een aantal brieven die de belegerden naar buiten wisten te smokkelen.18 Een mooi voorbeeld is een bewaarde wanhopige vraag om bijstand, die, verstopt in een vanuit de stad afgevuurde kanonskogel, het Keulse kamp bereikte.19 Het lijkt er echter niet op dat de Mechelse historiografie is beïnvloed door Franse of Duitse bronnen. In Franstalige kronieken komen de Mechelaars slechts eenmaal voor – weliswaar in nogal lovende bewoordingen van de hofkroniekschrijver Molinet – maar nergens wordt een schutter bij naam genoemd in een glansrol die hem de dankbaarheid van de hertog oplevert.20 Toch moeten de Mechelse schutters zich bij het beleg voorbeeldig van hun taak hebben gekweten. Dat blijkt niet alleen uit de eervolle vermelding bij Molinet, maar des te meer uit het feit dat de hertog Mechelse handelaars na het beleg vrijstelde van tol in al zijn landen, met uitzondering van het Vlaamse kuststadje Grevelingen.21 Ook is er een brief van de hertog overgeleverd, gedateerd 10 januari 1476, waarin hij de stad Mechelen dankt voor een escorte van schutters verleend aan zijn vertrouweling Boudewijn de Bastaard.22 In deze brief neemt de hertog de moeite om expliciet de hoofdman te danken, Rombout Van der Berch, om zijn grote verdienste bij het beleg van Neuss.23 Een Rombout dus, en niet de Wouter de Leeuw waarover sommige Mechelse kronieken de loftrompet steken. Hoe dan ook, dat de Mechelaars bij Neuss in de gunst zijn gekomen van de hertog is duidelijk. Of ze militair een grote rol hebben gespeeld is dat minder. De Mechelse schutters waren niet de enige stedelijke delegatie bij het beleg van Neuss, en ze zullen met een relatief klein aantal (circa 100) op het totale aantal boogschutters (circa 4000) weinig verschil hebben gemaakt.24

Een schilderij en een kroniek

Int jaer veertien hondert vyf en seventich voor die stede
van Nuijsen daer hertogh Karel had leger gheslaghen deur den ghetrouwen
dienst die de stadt mechelen hem dede
soo van gelde huerlingen en vroom volck van wapenen mede
gaf hy haer privilegie nae syn edel behaghen
haer poorters syn tol vry ten eeuwighen daghen

Aldus luidt het opschrift op het fraaie schilderij dat het Mechelse stadsbestuur in 1562 van het beleg van Neuss liet vervaardigen (afb. 1).25 Het korte tekstje verwijst naar de beloning die de hertog gaf aan de stad Mechelen voor de trouwe dienst in zijn leger. Het schilderij, bijna een eeuw na het eigenlijke beleg vervaardigd, getuigt van een gedegen kennis over het verloop van het beleg. De stad Neuss is centraal afgebeeld vanaf de westelijke zijde, met vooraan het tentenkamp van de belegeraars en achteraan de drie eilanden die de stad een natuurlijke verdediging verleenden. De positie van de troepen, die worden geïdentificeerd door middel van opschriften op de afgebeelde tenten, komt wonderwel overeen met de plek die ze in 1474 daadwerkelijk rondom de Rijnstad innamen, zij het dat er om evidente redenen meer aandacht en ruimte wordt besteed aan de stedelijke milities dan aan de Italiaanse en Engelse huursoldaten.26 Links van het midden vinden we de drie rood-geel gestreepte tenten terug van de Mechelse schutters, gehuld in groene uniformen.27 De directe buren van de Mechelaars – Brusselse en Leuvense schutters, telkens met slechts één tent – zijn niet toevallig veelal gesneuveld afgebeeld, terwijl achter de Mechelse tenten de held van de dag een vijand op de muren van Neuss uitschakelt.

Op deze manier wilde het stadsbestuur in het midden van de zestiende eeuw het beleg in beeld brengen: een grote bijdrage van de stedelijke milities, een overwicht daarin van de Mechelse schutters en een heldenrol voor een in het schilderij naamloos gebleven gildebroeder. Opmerkelijk is dat niet: al op het moment dat de schutters in het kielzog van de hertog naar Neuss trokken vormden de drie schuttersgilden van de stad traditioneel de ruggengraat van de stedelijke politieke elite.28 Ook in de zestiende eeuw bleef een nadrukkelijke overlap bestaan tussen de schuttersgilden en de stedelijke magistraat.29 Het schilderij vormt dus een neerslag van hoe de elite van de stad in tijden van nood aan de zijde van de hertog stond, en kon op deze manier ook als spiegel voor de raadslieden in het heden fungeren, aangezien het in de raadszaal van het stadhuis hing.30

Eenzelfde door de politieke elite gestuurde herinnering van het verleden vinden we terug in sommige tekstuele bronnen. Omstreeks 1600 schreef Jan van Wachtendonck, op dat moment burgemeester of schepen van de stad Mechelen, een alternatieve versie van een Mechelse stadskroniek die op het einde van de vijftiende eeuw tot stand was gekomen.31 Wachtendoncks kroniek, die (uitsluitend) in autograaf is overgeleverd, besteedt opnieuw veel aandacht aan het beleg van Neuss, meer nog dan dat het geval was in zijn vijftiende-eeuwse brontekst.32 De familie van Jan van Wachtendonck had zich nog maar enkele generaties eerder in de Zuidelijke Nederlanden gevestigd.33 Zijn grootvader Hendrik huwde met de dochter van de belangrijke Lierse schepenfamilie Colibrant.34 Zijn vader Jacob was burgemeester van Antwerpen in 1583 en 1584, dus tijdens de calvinistische republiek aldaar.35 De Wachtendoncks waren religieus verdeeld: twee van Jans broers oefenden militaire functies uit in het Staatse leger, maar Jan zelf bleef een koningsgetrouwe katholiek. Hij zetelde voor het eerst in het Mechelse schepencollege in 1579, een college dat wel is beschreven als nadrukkelijk koningsgezind.36 Na 1585 oefende hij tot aan zijn dood in 1622 enkele keren het ambt van burgemeester uit. In 1599 werd hij geridderd door aartshertog Albrecht van Oostenrijk, naar aanleiding van diens Blijde Intrede in de stad. In die tijd was Jan overhoofdman van de schuttersgilde van de Jonge Voetboog.37 Ook Jans broer Hendrik bekleedde herhaaldelijk het schepen- of burgemeestersambt. Hendriks zoon was bisschop van Namen (1654–1668) en later aartsbisschop van Mechelen (1668). Het mag duidelijk zijn dat de Wachtendoncks zich al snel na hun vestiging in de Zuidelijke Nederlanden ook in Mechelen tot de notabelen mochten rekenen.

De kroniekversie die Wachtendonck schreef moet steeds worden gezien in de context van een bestuurlijke elite die verkleefd was aan het centrale gezag en tegelijk geïnteresseerd in de geschiedenis van de stad. Zijn tekst volgt in grote lijnen de laatvijftiende-eeuwse stadskroniek van Mechelen, maar telt meer dan het dubbele aantal folio’s. Deze opmerkelijke toename is te danken aan drie voortzettingen na het gebruikelijke einde van de kroniek (1477), maar ook aan talrijke toevoegingen in de tekst, variërend van slechts enkele woorden tot hele hoofdstukken. In de drie voortzettingen concentreert Wachtendonck zich op de Engelse of Sweetende ziekte, op een tijd van hongersnood en op de troebelen in de Zuidelijke Nederlanden, met name in Mechelen van 1566 tot 1580.38 Maar ook in zijn wijzigingen in de lopende tekst is een patroon te herkennen met drie opvallende aandachtspunten: een sterkere stedelijke visie, een verhoogde ‘objectiviteit’ (die zich uit in expliciete bronverwijzingen), en een duidelijkere trouw aan de hertog.39 Zowel de stedelijke focus als de archivalische manier van werken lijkt te passen in een algemene evolutie in het genre van de historiografie in de late zestiende eeuw, maar de intensivering van de trouw aan de hertog is vanuit het oogpunt van deze bijdrage bijzonder interessant.40 Een vergelijking van de laatvijftiende-eeuwse ‘originele’ tekst van de Mechelse stadskroniek met de gewijzigde versie van Wachtendonck geeft een goed beeld van hoe de beleving van het beleg van Neuss en de daaraan verbonden verhouding tot de hertog binnen het tijdsbestek van een eeuw is geëvolueerd, tenminste in de ogen van een laatzestiende-eeuwse stadsbestuurder.

De ‘oorspronkelijke’ tekst van de kroniek bevat een behoorlijk uitvoerig verslag van het beleg van Neuss en maakt een inhoudelijk vrij evenwichtige indruk. De auteur steekt niet onder stoelen of banken dat oorlog ook geld kost: ‘in deser tyt’, zo geeft hij toe, ‘scatten hertog Carels officiers al die Clergye in sijn landen, daer eenen quaden roep af quam’.41 Daarmee schenkt hij in elk geval aandacht aan de financiële kant van oorlogvoering, maar doet hij toch nog te weinig recht aan de sterk gestegen belastingdruk die het militaristische bewind van de hertog met zich meebracht, ondanks zijn vrij korte regeerperiode.42 Ook trof de belasting zeker niet alleen de ‘Clergye’, maar ook de staten en steden van Karels landen, wat vooral bij die laatste veel gemor veroorzaakte, vooral na de centralisering van de bestuurlijke instellingen die overal (behalve in Mechelen) terecht gezien werd als een drastische inperking van de eigen autonomie.43

Als resultaat van de aanzienlijke financiële inspanning kon Karel zich wel beroepen op een goed georganiseerd en wijd en zijd gevreesd leger, dat ook op die manier in de kroniek naar voren komt: ‘soo es dan hertog Karel ghetrocken met grooter macht voor de stadt van nusen [...] ende heeft de stadt seer sterkelijke beleghen’.44 Ook is sprake van de vele ‘lombarden ende inghelschen’, de Italiaanse en Engelse huursoldaten die allengs de ruggengraat van Karels legers gingen vormen.45 Ondanks de indrukwekkende aanwezigheid van het Bourgondische leger maken ook de belegerden een goede beurt. ‘Binnen nusen waeren vele cloeke ruijters’, schrijft de auteur, waarna hij de namen noemt van de hoofdrolspelers.46 Even verderop geeft hij ook zonder veel omhaal toe dat ‘die van nusen haer vroemeleck [weerden] ende scoten ooc menighen man doot’.47 Al met al schetst de auteur van deze Mechelse kroniek op het einde van de vijftiende eeuw een vrij realistisch beeld van het beleg, dat aandacht schenkt zowel aan de indrukwekkende machtsontplooiing van Karel de Stoute, als aan de maandenlange patstelling met wederzijdse verliezen die erop volgde. Zelfs het diplomatieke geharrewar na de aankomst van het rijksleger heeft in de kroniek een plaats gekregen, met inbegrip van de conflicten die ontstonden na de vrede omdat geen van beide heersers als eerste het slagveld wilde verlaten.48

De tekst die Jan van Wachtendonck omstreeks 1600 opstelde, toont een geheel andere visie op het beleg van Neuss, die illustreert hoe de beeldvorming van iemand die tot de bestuurlijk-culturele elite van de stad behoorde ruim een eeuw later ingrijpend kon zijn veranderd. In het handschrift is duidelijk zichtbaar hoe Wachtendonck te werk ging. Het hoofdstukje ‘Van dat beleech vande stat van Nuysen’ begint, conform de gebruikelijke werkwijze van Wachtendonck, met een iets breedvoeriger relaas dan in de basistekst dat er nochtans inhoudelijk nauw bij aansluit.49 Twee folio’s lang volgt hij vrij trouw zijn laatvijftiende-eeuwse voorbeeld. Wanneer echter sprake is van de ‘cloecke Ridders’, houdt Wachtendonck het voor bekeken. Deze passage heeft hij meermaals doorgestreept, waarna hij overschakelt op zijn eigen relaas van de feiten.50 Zijn versie lijkt er vooral op gebrand Karels zware belastingpolitiek te rechtvaardigen, wat past in het algemeen positieve beeld dat Wachtendonck van de laatste Valois-hertog wilde schetsen. Ook hier evenwel geen verbloeming van deze belasting: Karel ‘heeft versoecht van zijnen ondersaten tgeheel lant duere, nyemant uuytgenomen noch officiers noch die Clergie, een groote schattinge’ (fol. 175r). Hier vinden we dus wél het besef dat de belastingen iedereen troffen, maar als doekje voor het bloeden wordt de aanleiding voor het conflict veel sterker aangezet. Volgens Wachtendonck trekt de hertog, de ‘rechtvuerdich justicier’, niet alleen naar Neuss om de Keulse bisschop bij te staan tegen het kapittel en zijn andere tegenstanders, maar bovendien omdat zijn bemiddelingspoging door de Keulenaren met een grove belediging was beantwoord.51 Toen de hertog zijn banieren ‘seer magnifikelyck’ liet opstellen in Keulen, werden ze door de opstandige stedelingen verscheurd en in de modder gegooid. Karel trekt dus ook ten strijde om hun ‘boosheyt’ te straffen.52

Een ander retorisch wapen dat Wachtendonck inzet om de pil van de belastingdruk te vergulden is sterk gericht op een Mechels publiek. Hij voert namelijk twee (niet toevallig) Brabantse raadgevers ten tonele, die de hertog aanraden om het kostbare schrijn van Sint Rombout, de Mechelse stadspatroon, te belenen en op die manier de noodzakelijke fondsen te verzamelen. Een woedende menigte trekt daarop naar Karels hof, waar men de hertog in opvallend beleefde termen vraagt om van die maatregel af te zien. Als goedhartig antwoord brengt Karel de twee raadgevers aan de galg op het Sint-Romboutskerkhof, in de schaduw van de grote kerk waar de relieken worden bewaard. Het hoeft geen betoog dat Karel op het moment van de heffing niet in Mechelen aanwezig was, en dat deze inlas dus als volslagen fictief moet worden beschouwd. In Wachtendoncks relaas echter bereikt de demarche van de hertog uiteraard het beoogde resultaat. De bevolking is gerustgesteld dat niet geraakt wordt aan het kostbare schrijn met de relieken van de stadspatroon en over de zware belastingen wordt in het geheel niet meer gesproken. Het slotakkoord van Wachtendoncks versie vat zijn visie goed genoeg samen om hier te worden geciteerd: ‘Den voirnoemden hertogh werdt hier aff zeer loffelyck gepresen, ende al was hy seer gierich van gelde, was nochtans vermert voir een groot justicier ende een heerlyck volcomen prince’.53 Het mag duidelijk zijn dat de enigszins kritische houding die in de basistekst ten opzichte van de hoge belastingen werd aangehouden, in de versie van Wachtendonck naar de achtergrond is verdrongen door enkele literaire ingrepen, die bovendien met name bij Mechelse lezers een gevoelige snaar konden raken. Wie precies deze Mechelse lezers zijn, is moeilijker in te schatten. Net als bij andere handschriftelijke kronieken uit deze periode krijgen hedendaagse onderzoekers moeilijk vat op het geïntendeerde publiek.54 Bovendien hebben we te maken met een autograaf, waarvan voor zover bekend geen afschriften zijn overgeleverd. Misschien is Wachtendoncks tekst dus meer te beschouwen als een neerslag van de gangbare meningen in elitaire kringen, dan als een poging om daadwerkelijk bij te dragen aan een breed gedeeld beeld van het verleden.55

Een stedelijke politieke herinneringscultuur?

Het is tijd om de vragen die aan het begin van deze bijdrage werden gesteld te verfijnen. Waarom investeerde het stadsbestuur in iconografische representaties van de Mechelse deelname aan het beleg van Neuss, en waarom voelde een schepen of burgemeester in de late zestiende eeuw de nood om de historiografie omtrent Neuss te herschrijven? Kortom, waarom is precies het beleg van Neuss een onmiskenbare pijler van de Mechelse stedelijke identiteit geworden in de loop van de zestiende eeuw? De Mechelse stedelijke milities trokken er immers vaker op uit in het kielzog van de hertog. Toch trok vooral het beleg van Neuss in Mechelen de aandacht. Het antwoord ligt waarschijnlijk in de gebeurtenissen net vóór de militaire expeditie: de verheffing van Mechelen tot administratieve hoofdstad van de Bourgondische erflanden door Karel de Stoute.

Zoals eerder gezegd zorgde de centralisering van enkele bestuurlijke instellingen (het Parlement, dat fungeerde als hoogste rechtbank, en de Rekenkamer, die toezicht hield op de hertogelijke financiën) in alle uithoeken van het Bourgondische statencomplex voor veel onrust. Het zal dan ook niet verbazen dat na de dood van Karel de Stoute voor de poorten van Nancy in 1477, zijn dochter en enige erfgename Maria van Bourgondië deze centralisering onder druk van de staten moest terugdraaien.56 Mechelen was zijn geprivilegieerde status kwijt, maar werd wel een hofstad, aangezien Margaretha van York, de weduwe van Karel de Stoute en stiefmoeder van Maria, zich na Karels dood in Mechelen vestigde.57 Terwijl met name de Vlaamse steden een bittere diplomatieke en militaire strijd voerden voor het herwinnen van hun privileges, eerst tegen Maria van Bourgondië en later met hernieuwde kracht tegen de regent Maximiliaan, bleef men zich in Mechelen – bewust van het voordeel dat dit kon opleveren – beroepen op de rol van trouwe stad, en vochten Mechelse schutters mee aan de zijde van Maximiliaan tegen de opstandige steden.58 Niet toevallig kende keizer Frederik III – de vader van Maximiliaan – aan de Dijlestad in 1490 het recht toe om in het stedelijke wapenschild een hartschild met de Duitse koninklijke adelaar te voeren. Deze toekenning en de ermee verbonden verheffing van de stad tot graafschap waren een keizerlijke beloning voor de trouw die de stad had betoond aan Maximiliaan tijdens diens strijd tegen de opstandige steden. Uit deze periode dateert ook de stadsleus ‘In fide constans’, ‘In trouwen vast’, die tot op de dag van vandaag gehanteerd wordt.59

In 1503 vestigde Filips de Schone de centrale instellingen opnieuw in Mechelen, de stad waar hij opgroeide aan het hof van zijn stiefgrootmoeder Margaretha van York. Van toen af aan zouden de instellingen er onophoudelijk blijven tot aan de Franse revolutie, met uitzondering van het vijfjarige intermezzo tijdens het calvinistisch bewind in Mechelen (1580–1585).60 Het lijdt geen twijfel dat deze status van hoofdstad, zetel van de macht, een grote welvaart bracht in Mechelen. In de stad vestigde zich een nieuwe elite van diplomaten en ambtenaren die her en der stadspaleizen liet optrekken. De luxe-economie bloeide op en het prestige van het kleine Mechelen werd verhoogd tot ongeziene status.61 Bovendien werd Mechelen met de vestiging van het aartsbisdom in 1559 ook in geestelijk opzicht een belangrijke stad in de Zuidelijke Nederlanden.

De positie van gezagsgetrouwe hoofdstad kwam in 1580 abrupt tot een einde, toen de stad vijf jaar lang onder calvinistisch bewind kwam. De afscheuring van het koninklijke gezag werd in Mechelen niet door de brede bevolking gedragen. Het lijkt er daarentegen op dat het bewind als een bezetting werd ervaren, het einde ervan als een bevrijding – zeer in tegenstelling tot steden als Gent of Antwerpen.62 Een heel aantal van de schepenen die in 1585 zetelden in de gereconcilieerde magistraat, waren ook al aanwezig in het gezagsgetrouwe schepencollege van 1579. Zo ook Jan van Wachtendonck, die na een eerste schepenambt in 1579 vijf jaar niet deelnam aan het bestuur, maar na 1585 sterker dan ooit terugkeerde in het schepencollege, om er tot aan zijn dood in 1622 bijna nooit meer uit te verdwijnen. Zijn traject lijkt in grote lijnen op dat van andere bannelingen: er is immers op gewezen dat de katholieken die terugkeerden uit ballingschap zich vaak met gesterkt geloof inzetten voor de Contrareformatie. Bovendien blijkt het een bewuste strategie te zijn geweest om na de reconciliatie vooral voormalige bannelingen het bestuur van de steden toe te vertrouwen.63 Dit optimisme vindt zijn neerslag in de opdracht van het kersverse stadsbestuur aan Michiel van Coxcie om een schilderij te vervaardigen van de nieuwe magistraat, waarvoor drie jaar later ook de schepenen zelf een duit in het zakje deden.64

Vanaf 1585 nam Wachtendonck de functie van overhoofdman van een van de stedelijke schuttersgilden waar. In die hoedanigheid was hij in 1595 een van de Mechelaars die te hulp snelden toen Lier in de vroege ochtend van 14 oktober werd overrompeld door een verrassingsaanval van Staatse troepen.65 De stad werd ontzet door vanuit Antwerpen en Mechelen toegesnelde milities, een overwinning die in beide steden werd gevierd. In Antwerpen werden gedenkpenningen geslagen. In Mechelen schreef Jan Bernaerts, op dat moment advocaat bij de Grote Raad, slechts negen dagen na het ontzet een pamflet dat de moed van de Mechelaars bezong. Tekenend is dat hij zijn tekst opdroeg aan het Mechelse stadsbestuur, en daar ook vijftig gulden voor ontving.66 Ook Hendrik van Wachtendonck, in 1595 in functie als burgemeester en de broer van Jan, liet zich niet onbetuigd en schreef lofdichten op katholieke overwinningen, waaronder die in Lier, waarvoor hij door de stad royaal vergoed werd.67 Het stadsbestuur zelf liet voor de raadszaal een monumentaal schilderij vervaardigen waarop de stedelijke schuttersgilden in vol ornaat poseren voor een bovenaanzicht van de stad Lier met de belangrijkste wapenfeiten.68 Niet toevallig werd het stadsbestuur op dat moment gedomineerd door gildebroeders van de twee schuttersgilden: de twee burgemeesters (Jan van Wachtendonck en Hendrik Van der Laen) waren respectievelijk overhoofdman van de Oude en de Jonge gilde, en een groot aantal schepenen was lid van een van beide gilden en dus allicht aanwezig bij de verlossing van Lier.

Het schilderij van het ontzet van Lier doet denken aan dat van het beleg van Neuss, omdat het opnieuw een iconografische neerslag is van de politieke verstrengeling tussen de stedelijke schuttersgilden en de bestuurlijke elite in de loop van de zestiende eeuw. Bij beide schilderijen is bovendien het aspect ‘trouw’ van centraal belang: in het geval van Neuss stuurde de stad op verzoek van de hertog schutters, kolveniers en materiële hulp oostwaarts. De ontzetting van Lier is een triomf voor de katholieke, koningsgezinde partij in Mechelen die zich beriep op haar onveranderde trouw aan het Spaanse gezag en aan het katholieke geloof.69 Dat beide schilderijen met een zeer gelijkaardige thematiek een brug vormen tussen het heden van de late zestiende eeuw en het verleden van de late vijftiende, is waarschijnlijk geen toeval. Kennelijk cultiveerde het stadsbestuur bewust de herinnering aan de periode onder Karel de Stoute, zoals ook blijkt uit het bekende schilderij van de eerste zitting van het Parlement van Mechelen in 1474, eveneens in opdracht van de stad in 1595 vervaardigd. Ook bestaat er een kopie van het hierboven besproken schilderij van het beleg van Neuss, dat in deze periode kan zijn vervaardigd.70

Alles bij elkaar lijkt er op het einde van de zestiende eeuw iets speciaals aan de hand te zijn in Mechelen. In korte tijd wordt opdracht gegeven tot een schilderij van de gereconcilieerde magistraat (1585), eentje van de eerste zitting van het parlement (1595), een schilderij van de ontzetting van Lier door de schuttersgilden (1596) en mogelijk een kopie van het schilderij van het beleg van Neuss. Tegelijk werken verschillende leden van de politieke elite aan teksten die de trouwe status van de stad in de verf zetten: er is het Latijnse pamflet van Jan Bernaerts over de ontzetting van Lier, de Nederlandstalige kroniekversie van Jan van Wachtendonck, maar ook de Franse gedichten van zijn broer Hendrik. Kennelijk hechtte het stadsbestuur in de jaren na 1585 groot belang aan het manifesteren van een politieke herinneringscultuur die met name de trouwe status van de stad in beeld bracht. Dat men daarvoor terugviel op de tijd van Karel de Stoute is evident: het was deze hertog die Mechelen koos als zetel voor de centrale instellingen die er ook in de zestiende eeuw, en nog tot 1795, voor een groot deel van de welvaart zouden zorgen. Of deze door de elite gestuurde beeldvorming door de gehele stad gedeeld werd, is een andere vraag. Eerder lijkt het erop dat de politieke elite, door de continuïteit met het verleden te benadrukken, haar leidende status ook in de onzekere tijden na 1585 legitimeerde. Deze boodschap zal wel geresoneerd hebben buiten de muren van het stadhuis, maar het blijft een feit dat zowel de handschriftelijke kroniekversies als de schilderijen, die prijkten in schutterskamers en raadszalen, een beperkt en in de regel elitair publiek bereikten. Een beeld van hoe de gewone man terugkeek naar het verleden onder Karel de Stoute is niet of nauwelijks overgeleverd.71

De nadruk op continuïteit is ook aangewezen in vroegmoderne (met name zeventiende-eeuwse) stedelijke historiografie in andere steden uit de Zuidelijke Nederlanden.72 Tegelijk is voor steden als Brugge of Gent, die zeker tijdens het bewind van Maximiliaan van Oostenrijk een notoir opstandige koers voeren, aangetoond dat de historiografie van zowel ambachten als elite, ook in de zestiende eeuw, een negatief oordeel velde over Maximiliaans regeerperiode.73 Hier vinden we eveneens een parallel tussen de late vijftiende en de late zestiende eeuw, maar wordt de nadruk gelegd op de weerstand tegen Maximiliaan als regent van de Nederlanden, die in verband wordt gebracht met de weerstand tegen Filips II.74 In Mechelen treffen we daarentegen een elitaire historiografie aan die nog in de zestiende eeuw nadrukkelijk de zijde van het hof kiest. Een variabele die vanuit vergelijkend standpunt misschien onvoldoende in rekening is gebracht, is het gebruikte medium: auteurs van gedrukte kronieken, kostbare ondernemingen met een veel hogere zichtbaarheid, zullen in het contrareformatorische Zuiden allicht minder te koop hebben gelopen met een kritische houding ten opzichte van de vorstelijke dynastie. Die kritische stemmen zijn in het Zuiden wél te vinden in handschriftelijke kronieken met een vrij beperkte reikwijdte. Als deze hypothese standhoudt, is Mechelen hoe dan ook een atypisch geval in de Zuidelijke Nederlanden, met een historiografie die zelfs in handschriften met weinig verspreiding, toch trouw betoont aan het centrale gezag.75

Hoewel bij gebrek aan uitgebreide voorstudies van de overgeleverde kroniekteksten, zowel in handschrift als in druk, een definitieve verklaring voor de verschillen in opvattingen moeilijk blijft, valt in elk geval te denken dat steden als Gent, Brugge of Luik, die in hun verhouding met de Bourgondische hertogen een heel ander parcours hadden afgelegd, in eerste instantie niet meteen positief terugkeken op de regeerperiode van de Valois-hertogen. Luik, bijvoorbeeld, was door Karel herhaaldelijk onderworpen en uiteindelijk zo goed als platgebrand, terwijl Gent letterlijk op de knieën was gedwongen door Filips de Goede in 1453, en de stad ook met zijn zoon niet altijd op goede voet stond.76 Brugge speelde op haar beurt een hoofdrol in het verzet tegen het Groot Privilege: de stad hield Maria’s weduwnaar Maximiliaan in 1488 lange tijd gegijzeld om haar eisen voor de hernieuwing van haar autonomie kracht bij te zetten.77 Rode draad in deze conflicten is de centraliseringspolitiek van de hertogen en de weerstand die ze veroorzaakte bij steden die zich traditioneel beriepen op hun eigenheid. Zij vreesden terecht dat hun privileges, zo moeizaam afgedwongen in de voorbije eeuwen, met de voeten getreden zouden worden. Niet zo in Mechelen, waar men profiteerde van de positieve effecten die deze centralisering met zich meebracht, en waar men al snel besefte dat de geprivilegieerde rol van bestuurlijke hoofd- en hofstad gepaard moest gaan met een onveranderd trouwe houding en een onderwerping aan het centrale gezag.

Besluit

Hoewel we uit hertogelijke brieven kunnen opmaken dat de Mechelse schutters zich bij het beleg van Neuss in 1474 voortreffelijk van hun taak kweten, staat de via diverse media overgeleverde herinneringscultuur van het beleg niet in verhouding tot hun prestatie. Het is de nabijheid in tijd en aanleiding van de vestiging van de Bourgondische centrale instellingen in Mechelen en Karel de Stoutes militaire campagne die ten dele verantwoordelijk zijn voor de opmerkelijke aandacht die in Mechelen aan het beleg werd besteed. De oorspronkelijke kroniekversie werd kort na de dood van Karel de Stoute geschreven en zingt al de lof van de hertog en zijn centraliserende politiek, evenwel zonder de ogen te sluiten voor sommige negatieve gevolgen. De tekst is een kind van zijn tijd, sterk gekleurd door de nieuwe status van het kleine Mechelen als hoofd- en later hofstad van de Bourgondische landen.

In de loop van de zestiende eeuw komen we het beleg van Neuss herhaaldelijk opnieuw tegen in een Mechelse context. In zestiende-eeuwse anonieme handschriften van de kroniek wordt het relaas uitgebreid en een eerste schilderij van het beleg wordt in 1562 vervaardigd. Na 1585 echter, raakt de herinnering aan het beleg verstrengeld met recentere wapenfeiten van de stad en haar elite, die veelal deel uitmaakte van diverse schuttersgilden. Er wordt een kopie vervaardigd van het schilderij uit 1562 en burgemeester Jan van Wachtendonck herschrijft radicaal de versie van het beleg die uit de late vijftiende eeuw dateert, waarbij hij een nog positiever beeld schetst van de hertog en zijn ongebreidelde ambities in binnen- en buitenland. Het is tijdens zijn bewind als burgemeester of schepen dat enkele andere schilderijen worden besteld die, weliswaar met een ander thema, de rol van Mechelen als trouwe stad en hoofdstad thematiseren. Deze voorbeelden van duidelijk vanuit het stadsbestuur gestuurde herinneringscultuur vormen een brug tussen het heden na 1585 en het verleden van omstreeks 1474. Ze zijn de neerslag van de ambitie van een gezagsgetrouwe katholieke elite om Mechelens wapenspreuk ‘in fide constans’ na de val van het calvinistische bewind (1580–1585) opnieuw in de praktijk te brengen. Dat men er op deze manier in geslaagd is om de herinnering aan de moedige schutters voor de poorten van Neuss levendig te houden, mag wel blijken uit volgend slot van een gebed uit 1703, mogelijk gebruikt in de schutterskamer van de Handbooggilde:

Als ghij ter tafelen sijt gheseten
Ende de maeltijt is ghedaen
U broeders voor Nuijsen en wil niet vergeten
Soo moghdij loon voor Godt ontfaen.78