In de slotscène van een Nederlandse roman uit 1658, Het leven en bedrijf van Duc D’Albas Hondt, treffen we een terneergeslagen hertog van Alva aan, die samen met zijn hond Cipión zit te bekomen van de gebeurtenissen in Zutphen, Naarden en Haarlem.1 Plotseling verschijnt er een ijzingwekkende vrouwelijke gedaante:

’t Was, so ’t scheen, een vrouwe beeld, en uyterlick aen te sien heel volmaeckt geschapen, doch de kleedingh was een gruwel, want haer tabbert was van mensche-huyden aen malkanderen genayet, en met tongen geborduurt, die een naer gepiep van haer gaven; rondtom was het vol bloedige plecken, en met brein en bloedt bespat; in ’er eene handt hadse een toortse van mensche vet die haer door het gestadig swieren in de bosem droop, en in de ander een beckeneel daer sy het varsche bloet uyt slorpte; haer hayr was als slangen en piepende adders en waerse tradt vloeyde haar een beeck van bloet na: sy riep tot driemael toe: Alba, Alba, Alba: hy sich na haer keerende vraegde wie sy was en wat sy begeerde? Ick ben, antwoorde sy, u eigen consciëntie, en ick begeer dat ghy my van voren tot achteren doorsoeckt, eer ghy van hier verreyst, op dat ghy door ’t ververschen van u gedacht moogt rekening geven van ’t bloed dat ghy gestort hebt.2

Deze bijzondere roman zouden we wellicht kunnen bestempelen als één van de eerste Nederlandse ‘historische romans’, aangezien het verhaal zich concentreert op Alva’s verblijf in de Nederlanden tijdens de roerige eerste fase van de Opstand, tussen 1567 en 1573. Dit kleine werk, uitgegeven in duodecimo en 112 pagina’s tellend, verscheen tien jaar na de bezegeling van de Vrede van Munster. In de slotscène waarin Alva door zijn geweten gekweld wordt, klinken de echo’s van de vaderlandse propaganda onmiskenbaar door: de hertog van Alva in vol ornaat als wrede ‘bloedhondt’ van de Nederlanden. Dergelijke voorstellingen treft men vanaf het uitbreken van de Opstand veelvuldig aan in het Nederlandse discours, zoals in de beroemde Apologie van Willem van Oranje (1581), waarin wordt beschreven hoe het bloed door de straten vloeide als gevolg van de talrijke executies door de hertog.3 Dat dit wrede optreden van de Spanjaarden een canoniek nationaal narratief is geworden in de zeventiende eeuw, zien we in talloze voorbeelden, zowel in historische bronnen als in de literatuur en de beeldende kunst. Pamfletten, als weerspiegeling van de discussie, bieden inzicht in de sociale interactie binnen het publieke debat.4 Het overheersende anti-hispanisme dat in al deze bronnen naar voren komt, vormde ‘de ruggengraat van de Opstandcanon’.5

Literaire genres zoals poëzie of toneel zijn in de vroegmoderne tijd succesvol ingezet als propagandamiddel of als klankbord voor beelden uit het nationale verleden. Proza, door Lia van Gemert beschreven als ‘het buitenbeentje’ van de Nederlandse letterkunde van deze historische periode,6 is op zijn beurt minder bekend als vehikel voor nationale narratieven, maar bood beslist een uitstekende voedingsbodem voor de recreatie van het verleden van de Republiek. Het leven en bedrijf van Duc D’Albas Hondt, en andere romans van de hand van zijn auteur G. de Bay, zoals Des werelds hel en vagevuyr begrepen ondert Leven van den Amsterdamschen Spanjaert (1671), zijn hier treffende voorbeelden van.7 In het navolgende zullen we stilstaan bij deze laatstgenoemde roman en analyseren op welke manier het nationale verleden wordt geconstrueerd. Het meer recente verleden van de Republiek in de hoofdintrige wordt namelijk onmiskenbaar verbonden met de tijd van de Opstand en met de rol van de Spanjaarden. We zullen ook stilstaan bij de mogelijke motivatie van De Bay om deze romans op de markt te brengen. Duc D’Albas Hondt en de Amsterdamschen Spanjaert kunnen natuurlijk niet de enige Nederlandse romans zijn waarin een dergelijke historische verwerking van het verleden van de Republiek plaatsvindt. Ik beschouw ze daarom als voorbeelden van een bestaand Nederlands discours in proza, waaraan in de toekomst hopelijk meer titels toegevoegd zullen worden.8

Relevant is het feit dat deze romans van G. de Bay, van picareske aard, aan het Nederlandse publiek gepresenteerd werden als vertalingen uit het Spaans, hoewel het om originele werken gaat, om pseudovertalingen.9 De redenen om een origineel werk als een vertaling voor te stellen zijn velerlei: censuur, repressie of een literair spel met de lezer.10 Maar achter deze presentatiestrategie kunnen ook zowel commerciële als ideologische overwegingen van de uitgevers en/of de vertalers of auteurs schuilen. De Bay’s pseudovertalingen verschenen in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Vanaf de jaren vijftig viel er in de Republiek een groeiende populariteit van novellen en romans te bespeuren die gepaard lijkt te gaan met een toegenomen vraag naar amusementsliteratuur.11 Het Nederlandse publiek was destijds koopkrachtig en stond zowel open voor vertalingen uit de antieke en eigentijdse Latijnse letteren als uit de moderne buitenlandse literatuur in de verschillende volkstalen.12 Deze vertalingen zijn van groot belang voor de geschiedenis van de Nederlandse roman, aangezien ze fungeerden als inspiratie voor nieuwe werken, zoals te zien is bij de productie van De Bay. Bovendien boden vertalingen een doeltreffend middel ‘to fill gaps in the host culture’ of ‘to support ideas, assumptions and prejudices already present in the culture’, zoals Peter Burke heeft gesteld.13 Spaanse picareske romans genoten in de Republiek een grote bekendheid in de zeventiende eeuw. Denk aan de beroemde Lazarillo de Tormes (1554) die Bredero inspireerde voor zijn befaamde Spaanschen Brabander (1617).14 In het geval van de Spaanse picareske romans, kan de satirische uitbeelding van de Spaanse maatschappij en de erin voorkomende personages, juist een bijzondere aantrekkingskracht hebben gehad op een Nederlands publiek. Een letterlijke interpretatie, ontdaan van de satirische gelaagdheid, bevestigde de vooroordelen over de oude Spaanse vijand.15 De ‘inhoudt van het spel’ van Bredero’s Spaanschen Brabander laat dit onomwonden zien: ‘Onder de weynich uitsteeckende of geestige Spangjaars, en is de Maker van Laserus de Tormes nerghens na de minste, naar (mijn oordeels) een van de meeste te houden, want hij seecker en bedecktelijck de ghebreecken zijner Lants-Lieden, an wijst en straft.’16 Niet alleen vertalingen, maar ook pseudovertalingen konden zeer doeltreffend inspelen op bestaande beelden van de vijand of het nationale verleden.

Hoewel we weten dat er divergente herinneringsculturen kunnen ontstaan en dat er in het nationale narratief over de Opstand duidelijk sprake is van discontinuïteit,17 is er in het geval van de rol van de Spanjaarden sprake van een overduidelijke (negatieve) continuïteit. De Spanjaarden, met Alva als belichaming van het kwaad, konden altijd ingezet worden als de historische en politieke omstandigheden dat vereisten.18 Dit door de Spanjaarden geboden narratieve template droeg bij aan de groeiende Nederlandse historische identiteit.19 Een opvallend verschijnsel is dat de hertog niet alleen gebruikt werd om de kwaadaardige eigenschappen van de Spaanse vijand te illustreren, maar ook om binnen het eigen Nederlandse discours politieke tegenstanders in een kwaad daglicht te plaatsen. In 1647 werd in het anonieme pamflet Magasijn van meijneeidige ontucht ende bastard Spaenche moedtwil, geschreven in verband met de politieke en sociale onlusten in Dordrecht, het vroedschaplid Cornelis van Beveren met Alva vergeleken.20 Verbazingwekkend, maar in lijn met die divergente historische narratieven over de Opstand, is de vergelijking in een anoniem pamflet uit 1650 tussen Willem II en de hertog van Alva. Willem II handelde volgens deze tekst juridisch gezien zelfs onrechtmatiger dan Alva, die ten minste de instructies van zijn koning volgde.21

Pseudovertalingen als vehikel voor het nationale verleden: de Amsterdamschen Spanjaert

De auteur van de Amsterdamschen Spanjaert, G. de Bay, mogelijk een handelsfactor, was een vruchtbaar vertaler uit het Spaans met een voorkeur voor de picareske literatuur. Hij had zelf El coloquio de los perros (1613) van Miguel de Cervantes vertaald, waar zijn Duc D’Albas Hondt een vervolg op is.22 In 1671 publiceerde hij nog een pseudovertaling (in ieder geval in 1696 heruitgegeven), onder de titel Des werelds hel en vagevuyr begrepen onder ’t Leven van den Amsterdamschen Spanjaert.23 Ook hier graaft De Bay in het vaderlandse verleden en komt hij terug op zijn verhaal rond belangrijke canonieke momenten uit het begin van de Opstand. In de Amsterdamschen Spanjaert hanteert de auteur eenzelfde procedé als bij Duc D’Albas Hondt: met een Spaans literair uitgangspunt construeert hij een Nederlands werk waarin het eigen nationale verleden wordt gerecreëerd.

Om de Amsterdamschen Spanjaert beter te kunnen interpreteren moeten we stilstaan bij een aantal vertaalkundige kwesties, zoals waarom pseudovertalingen van belang kunnen zijn in de context van nationale beelden en het historisch verleden. Pseudovertalingen, of fictieve vertalingen, om de term van Gideon Toury te gebruiken, zijn het resultaat van een bewuste constructie door de pseudovertaler, die aan probeert te sluiten bij de verwachtingen en bestaande denkbeelden van zijn lezerspubliek.24 Dit impliceert dat bij het projecteren van een bepaald nationaal verleden in een bepaalde periode er waarschijnlijk rekening wordt gehouden met de kennis van het lezende of luisterende publiek. Bovendien maken pseudovertalers vaak gebruik van parateksten, zoals voorwoorden, om de lezers te overtuigen van het echte karakter van het werk. Deze parateksten worden gezien als een ‘zone of transaction’ waarin het publiek in een bepaalde richting beïnvloed en gestuurd kan worden.25 In een voorwoord bij De Bay’s Het leven en Bedrijf van de drolligeBisschayer uit 1669 (zie noot 8), legt uitgever Balthus Boekholt aan zijn lezers uit dat de auteur van het tweede deel van het boek dezelfde is als die van ‘Duc de Albas Hondt’, maar dat het werk vanwege de ‘naukeurigheit der Spanjaerden noyt in ’t Spaens gedruckt geweest [is]’. Hier maakt de uitgever gebruik van twee strategieën om de aandacht van de lezer te trekken: ten eerste verwijst hij naar de gemeenschappelijke auteur van beide boeken, wat waarschijnlijk een kwaliteitsgarantie voor de lezer inhield. Het noemen van het boek over de hond van Alva zonder verdere introductie, impliceert een zekere kennis of faam bij de lezers. Ten tweede dicht Boekholt zich enige exclusiviteit toe: hij is erin geslaagd om zijn lezers een boek te presenteren dat in het Spaans (de oorspronkelijke taal) niet uitgegeven mocht worden door de ‘naukeurigheit’ of ‘kieskeurigheid’ van de Spanjaarden.26 Daarmee wekt hij meteen nieuwsgierigheid op bij het publiek dat vertrouwd was met bepaalde nationale reputaties van de Spanjaarden zoals een zekere strengheid, om het zacht uit te drukken, verbonden met de duistere praktijken van de Inquisitie. Het doel van Boekholts paratekst is tweeledig: het gaat er niet alleen om zijn publiek te overtuigen van het echte en exclusieve karakter van het werk, maar het is een duidelijk commerciële strategie. Ze moeten het boek kopen.

G. de Bay’s ‘aen de leser’ in de Amsterdamschen Spanjaert heeft ook een duidelijke functie: hierin drukt hij zijn lezer op het hart dat de protagonist van zijn roman, die Amsterdamse Spanjaard, een betrouwbaar persoon is. Juist omdat hij in de Republiek is geboren:

De Amsterdamse Spanjaert komt na lang omswerven ter plaetse, van waer hij sijn oorspronck nam. Daerom gelieft hem vry aen te nemen, want het is u Landsman, gelijk gy aen sijn Spraek wel sult konnen oordelen: En gelooft vry, dat zijn wonderbare Droomen en Gesichten hem soo schijnbaer wedervaeren zyn, als hy selve schynbaer is.27

Dat zijn betrouwbaarheid verbonden is met zijn ‘nationale’ oorsprong herhaalt de protagonist later opnieuw: ‘Doch voor eerst beminde Leser, soo moet ick u doen weeten wie dat ick ben, opdat je de dingen van my als van een gheloofweerdigh Persoon meught aannemen’.28 En dan legt hij nauwkeurig zijn achtergrond uit:

In ’t kort myn Vaderland is Amsterdam, myn opvoedingh Spaensch, myn geloof Hollandts, myn staet gering, myn gemoet onversetbaer, en myn nieusgierigheyt soo groot, dat alle geheimen der Natuur, en ondoorgrondelyke Natuur schickingh my naulix vernoegen kennen.29

Wat de Amsterdamschen Spanjaert in het navolgende zal vertellen over zijn avonturen, over zijn landgenoten, over het verleden en heden van de Republiek moet dus geloofd worden, omdat hij als Hollander een betrouwbaar persoon is. Als hij een Spanjaard was geweest, had je aan zijn woord mogen twijfelen, lijkt de indirecte redenering te zijn.

In tegenstelling tot Duc D’Albas Hondt verwerkt de auteur in de Amsterdamschen Spanjaert twee verschillende temporele verledens: de avonturen van de protagonist vinden ten dele plaats in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw, ten tijde van de Engels-Spaanse oorlog tussen 1655 en 1660. Hij maakt in 1655 als ooggetuige de Engelse aanval op het Spaanse Jamaica mee en ook de Engelse aanval op de haven van Santa Cruz de Tenerife in 1657, waar op dat moment de Zilvervloot lag. Dit ‘recente verleden’ vormt het chronologische kader van het boek, maar verwijzingen naar het vertrouwde verleden van de Opstand worden door het verhaal gevlochten. In dat verre verleden van de Opstand zitten in ieder geval de wortels van onze protagonist, die als ‘Amsterdamse Spanjaard’ een soort symbiose lijkt te zijn van de twee naties die gezworen vijanden waren geweest. Of toch niet? Wie is deze Amsterdamse Spanjaard eigenlijk?

Onze Amsterdamse Spanjaard is – zegt hij zelf aan het begin van de roman – geboeid door het fenomeen van spoken en geesten die de mensen voor de gek houden. Zoveel mensen geloven daarin, dat hij daarom besluit op wereldreis te gaan. Zo beleeft hij vele avonturen. Hij reist eerst binnen Spanje, en daarna naar de Nieuwe Wereld: naar Hispaniola, Cuba en Jamaica, en dan naar de Canarische eilanden, de Kaapverdische eilanden en naar Vuurland. De setting van de roman kunnen we dus als ‘global’ omschrijven. De Amsterdamse Spanjaard verhaalt in autobiografische vorm hoe hij werd geboren in het ‘weeligh Amsterdam’, en hoe hij later met zijn vader, een scheepskapitein, na de dood van zijn moeder, op vierjarige leeftijd naar Madrid verhuisde. Een Vlaamse vrouw zou daar garant staan voor zijn opvoeding en zijn inwijding in de ware godsdienst van de Republiek: ‘Ze leefde heymelyck naar de Hooft kerckplichtigheyt van myn Edele Vaderland’.30 Hoewel hij zelf aan het begin zegt dat hij in Madrid deels het Spaanse nationale karakter opzoog, ‘daer myn teere jeugt de Landaerd ten deele ingesogen hadde’, is het duidelijk dat het toch vooral om een ‘Hollander’ gaat.31 In de loop van het verhaal wordt hij ook door andere personages omschreven als ‘Hollander’, of als ‘Spaanse Hollander’, ‘Hollandsche spruyt’; andere Nederlanders noemen hem zelfs een ‘Lantsman’, een term die ook in het voorwoord gebezigd wordt.32

Onze Amsterdamse Spanjaard is dus eigenlijk eerder een Spaanse Amsterdammer, maar misschien zou die titel het lezerspubliek teveel hebben doen denken aan de Spaanschen Brabander. Die relatie met het toneelstuk uit 1617 van Bredero valt natuurlijk wel te leggen. We weten dat in de loop van de Opstand het beeld van de verspaanste Nederlander aan kracht begon te winnen: het werd gebruikt om Nederlanders aan te duiden met pro-Spaanse sympathieën, in tegenstelling tot de ware vaderlanders.33

In deze context is de afbeelding van de Amsterdamse Spanjaard die op de titelpagina prijkt veelzeggend (afb. 1). Hoe wordt deze Amsterdamse Spanjaard voorgesteld? Wat voor een man is hij? De fraai geklede heer is nogal archaïsch gekleed, zeker niet als een modieuze man in de Nederlanden uit de jaren 1670-1690. Hij zou beslist zijn opgevallen in het straatbeeld en de lezers van het boek zouden hem dus als buitenissig hebben beschouwd. Als we naar de voorstellingen op de achtergrond van de plaat kijken, zien we schepen en een behaarde figuur aan de rechterkant tussen (helse) vlammen; aan de voeten van de Amsterdamse Spanjaard knielt wat een zwarte slaaf lijkt te zijn. Deze elementen verwijzen expliciet naar verschillende episodes in het verhaal van de protagonist: de behaarde figuur is de baviaanachtige figuur die hem als cicerone rondleidt op zijn eerste bezoek aan de hel, de protagonist reist uitgebreid met schepen door de hele wereld zoals een telg van een handelsnatie betaamt en hij vertelt ook over plantages in Nieuw-Nederland. Het is aannemelijk dat de uitgever en/of De Bay bepaalde commerciële bedoelingen hadden met het uiterlijk van de protagonist op dit frontispiece. De afbeelding moest pakkend zijn: de protagonist van het boek was ten slotte een Amsterdamse Spanjaard, en het is waarschijnlijk dat een koper bepaalde voorstellingen in zijn hoofd had als hij een boek opensloeg met een dergelijke titel. De ouderwetse pronkmouwen van de heer op het blad verdwijnen in het eerste decennium van de zeventiende eeuw en de enorme rozetten waarmee de kousenbanden onder de kniebroek zijn gesloten, waren in de Nederlanden een bron van spot omdat modieuze mannen hiermee helemaal ‘over de top’ gingen. De snor doet eerder Spaans dan Nederlands aan.34 Probeert deze afbeelding onze protagonist het uiterlijk van een verspaanste Nederlander of van een Spaanse Brabander te geven, misschien om commerciële redenen? In de advertentie in de Oprechte Haerlemse Courant uit 1671 werd de editie uitdrukkelijk gepresenteerd als ‘seer aerdigh afgebeelt’.35 We weten nog steeds niet genoeg over de verhouding tussen uitgevers, boekverkopers, (pseudo)vertalers en andere ‘producenten’ van literatuur,36 maar onlangs heeft Michiel van Groesen laten zien dat in het geval van toonaangevende uitgevers zoals de De Brys sprake was van duidelijke interactie met hun vertalers.37 Hoe dan ook, al in het voorwoord en in de rest van de tekst, wanneer de Amsterdamse Spanjaard zelf het woord neemt, is het voor de lezer duidelijk dat het een ‘ware’ en betrouwbare Nederlander betreft.

In het kader van nationale beelden valt het op dat we ook in het Spaanse discours dergelijk ‘gemengde’ figuren tegenkomen. In een Spaans toneelstuk van na de Vrede van Munster, uit 1658, treffen we een ‘Holandés españolizado’ aan, een verspaanste Nederlander.38 Deze edele Enrique is niet de eerste de beste Nederlander. Hij is, langs moeders kant, een directe afstammeling van Oranje. Natuurlijk hebben beide gemengde personages een andere achtergrond en functie, maar het oproepen van deze gemengde personages, weerspiegelt de werkelijkheid van de tijd.39

Terug naar het verhaal van de Amsterdamschen Spanjaert. De algemene lijn van reizen en avonturen wordt onderbroken door intermezzi waarin hij allerlei grotten en onderaardse helse kloven binnengaat en getuige is van allerhande scènes met duivels en allegorische figuren. Bij deze tochten wordt hij vergezeld door een gids. De eerste is een baviaanachtige figuur, de tweede een zekere Tymon de tovenaar, die in Muiderberg had gewoond. De impliciete verwijzing naar P.C. Hooft is duidelijk.40 In deze onderaardse wereld zien we sporen van het satirisch werk Los Sueños (De Dromen) van Francisco de Quevedo y Villegas (1580-1645). In dit werk bezoekt de verteller in opeenvolgende dromen de hel en beschrijft hij zijn ontmoetingen met gestraften uit allerhande groepen en beroepen, met duivels in allerlei variaties, met de dood, etc. Verschillende gebruiken, ondeugden, beroepen en standen zijn onderwerp van kritiek. De thematiek van de droom en het afdalen naar de hel vinden we natuurlijk ook in oudere allegorische literatuur, zoals in de Divina Comedia van Dante, waar de titel van de roman van Quevedo indirect naar lijkt te verwijzen. In de Republiek werden de Sueños zelfs vertaald en nagevolgd door meerdere auteurs, zoals Haring van Harinxma, Simon de Vries, Salomon van Rusting en Isaac Burchoorn. De vertaling door de Friese militair Van Harinxma was de meest succesvolle. De Seven wonderlijcke gesichten van don Francisco de Quevedo verscheen in 1641 en kende drie herdrukken in hetzelfde jaar. In de loop van de zeventiende eeuw verschenen er nog zeventien edities.41

De Bay legt in de magische passages van de Amsterdamschen Spanjaert expliciet het intertextuele verband met Duc D’Albas Hondt, waar de hond ook tijdens zijn reizen tussen de Nederlanden en Spanje in een toverhol in de Pyreneeën terechtkwam. In dit boek kon men lezen hoe veel soorten duivels er bestonden en stopte het relaas bij nummer acht. Als de Amsterdamse Spanjaard met Tymon op een van zijn ondergrondse excursies op pad is gaat de duiveltaxonomie verder:

Tymon my doen van begin op alles willende beduyden, soo quam ik hem voor seggende dat hy van N (nummer) 9 beginnen soude, alsoo ik wel wiste wat de andere acht in hadde, door dien ik ’t Pirenische Toverhol of Duc de Albas Hondt wel eer had gelesen.42

Dit verband met zijn voorloper wordt al in het voorwoord onomwonden genoemd.43 Het expliciet verwerken van passages over toverij en magie van De Bay in beide boeken is frappant. Deze voorkeur kan verbonden zijn met de mogelijk beoogde commerciële doeleinden. Tussen 1646 en 1663 was er een ware hausse in publicaties over deze onderwerpen in de Republiek, die zowel de aandacht van geleerden als van het gewone volk trok. Het merendeel van deze publicaties verscheen na 1655.44 Maar toverij kan ook als een soort ‘tijdmachine’ werken, je kunt geesten van overleden (historische) personages opvoeren. Het vormt dus een bruikbaar element voor romans met een historische component.

Het verre verleden en de Opstand: Amerika, tachtig jaar geweld en nogmaals Alva

Maar hoe wordt het verleden van de Republiek in de roman gerecreëerd? De Opstand, als ‘gründungsmythos’ van de Republiek is een van de rode draden van het verhaal. Het kan geen toeval zijn dat De Bay een ‘Amsterdamschen Spanjaert’ als protagonist heeft gekozen. Zoals men zou kunnen zeggen van de Republiek zelf, heeft hij in zijn kinderjaren onder Spaanse invloed gestaan, maar hij is ondanks alles trouw gebleven aan zijn ware (oer-Nederlandse) aard. Zoals Joep Leerssen opmerkt, ‘a collective sense of identity is derived from a shared historical awareness’.45 De Bay speelt in zijn verhaal met historische episodes waaruit dit besef van gedeeld verleden naar voren komt. Het idee dat men bovendien niet moest vergeten wat er gebeurd was, treft men herhaaldelijk aan in het Nederlandse discours. In de Morghen-wecker der vrye Nederlantsche provintien (1610) van de gereformeerde predikant Willem Baudartius zegt een vader tegen zijn zoon:

Onweerdigh is hy een Nederlander gheboren te zijn ende ghenoemt te worden, die dese gheschiedenissen in ’t vergheet-boeck stelt. Onweerdigh is hy een ghetrouwe Vader ghenoemt te worden, die dese dinghen sijn kinderen niet in en prent, ja immers so getrouwelijck, als de kinderen Israels schuldigh waren, na Godts beven Deut. 6. haren kinderen voor ooghen te stellen die wonderbaarliijcke verlossinghe uyt Egypten-Lant.46

Het verleden mag niet vergeten worden en het is onze plicht als ‘Vryen Nederlanders’ om te herdenken. Het is daarom zeker geen toeval dat tijdens zijn allereerste reis, en zijn eerste magische incursie, de protagonist terechtkomt in het hol ‘der Andiaense vermoorde onnoselheyt’ waar hij hoort over de ‘mensoffering der Indianen’ door de Spanjaarden. Het verhaal gaat meteen van start met een van de meest bekende elementen van de anti-Spaanse zwarte legende, zoals dat door Bartolomé de las Casas in zijn Brevissima relación (1552) aan de kaak was gesteld.47 De Nederlandse opstandelingen ‘ontdekten’ het boek van Las Casas en gebruikten het in hun anti-Spaanse propagandacampagne. Het boek werd snel vertaald en meerdere malen heruitgegeven, tot wel 26 edities. Talloze bewerkingen volgden in de beroemde Spieghels van de Spaanse tyrannie, waar vergelijkingen met het optreden van de Spanjaarden in de Nederlanden werden getrokken.48 De Indianen die de Amsterdamse Spanjaard tegenkomt, spreken duidelijk over hoe hun voorouders ‘hier wel eer so deerlyk van de Spanjaerts vermoort zyn’.49 Verrassend is het staaltje justitia poëtica dat De Bay introduceert in het verhaal als de Amsterdamse Spanjaard bij het betreden van het hol van de ‘Andiaense vermoorde onnoselheyt’ getuigt hoe een groep Spanjaarden door de Indianen geslacht wordt, in een omkering van de zwarte legende:

[…] ick sagh, dat eenige Indianen met Klim op, en andere kruyden verciert, ses jonge Spaengiaerden, met de handen op de rugh gebonden by het Offer-vuyr brachten, daerse die met een groot geraes van malkander scheurden, het ingewant wegh wierpen, en de bouten al lillende aen houte-speren staken, en gooten ’t bloed in kuylen, diese in de aerde gegraven hadde. Andere schoren het hayr van de half doode koppen, verbranden het tot Asch, en stroyden het al juychende in de wint. Verdagvaerden zo o het scheen de Geesten van haer verstorven Ouders en vrienden.50

Het Indiaanse opperhoofd die hem in deze oorden begeleidt, legt de Amsterdamse Spanjaard een zware taak op de schouders als hij over het gebeurde vertelt:

O Hollandsche Spruyt! Die de landtaert van u opvoeding noch niet geheel verbastert heeft, by aldien gy oit (gelyk gy sult) u vaderlyke Stad die aen den Amstel leyd, wederom komt te betreden, soo maekt kunbaer hoe veel duysenden van sielen, hier onsterfelyk onder de aerde omwaeren, en dat door een deel goutsuchtige Moorders, die om dat het verre van de hant was, misschien hun Koningsbevel overtreden hebben: ’t Herdenken van de gruwelen hier en elders bedreven, doen my de de tranen uyt de oogen barsten.51

De Amsterdamse Spanjaard moet er als een soort ‘carrier of memory’ voor zorgen dat die misdaden van de Spanjaarden niet vergeten worden (‘maekt kunbaer’). Interessant is de op zich genuanceerde toevoeging dat deze acties ver van Spanje hebben plaatsgevonden en waarschijnlijk zonder kennis van de koning. Hier klinkt de echte stem van Las Casas, die zijn werk schreef om de misstanden in Amerika aan de kaak te stellen, niet om de koning de schuld te geven, zoals later ten onrechte gesteld zou worden.

Op een andere incursie naar de onderwereld bezoekt hij het Kasteel van de Staetsucht, waar hij de allegorische figuren van Nydigheid, Geveynstheyd, Gewelt en Tyranny tegenkomt. De allegorische figuur Gewelt spreekt de Amsterdamse Spanjaard meteen aan en confronteert hem met zijn verleden:

En gy, Spaanse Hollander, (seyde hy tegens my) behoord my wel te kennen [...] Doch kent gy my niet, uw voor-ouders kennen my soo veel te beeter, door dien ik wel tachentig Jaaren lang in Neerland omgesworven hebbe. Maer je hebt eyndelijk, seyde ik, je hooft gestoten door ’t maken van de vreede. Je behoeft my dat niet soo schamper niet toe te duwen, hernam ’t Gewelt: myn rol was uytgespeelt.52

Het is interessant om zien dat het idee dat de oorlog inderdaad zo’n tachtig jaar duurde in deze passage duidelijk aanwezig is. Het historisch besef van een Tachtigjarige Oorlog lijkt hier tastbaar. Al die jaren heeft Gewelt in de Nederlanden rondgespookt maar nu is ze uit die gewesten vertrokken. In de welvarende Republiek heeft ze nu niets meer te zoeken. De historische identiteit van deze Amsterdamse Spanjaard – en daarmee van de hele Republiek – is onlosmakkelijk verbonden met Spanje en de lange, gewelddadige oorlog.

Het recente verleden: de voorbeeldige telgen van de Republiek

Ondanks het belang van deze historische periode voor de Republiek, plaatst De Bay zijn protagonist in andere tijden, in een meer recent verleden. Hoe wordt de Republiek daarin voorgesteld en kan deze tijd een bepaalde betekenis hebben voor het nationale verleden? Zoals eerder vermeld, is de recentste periode waaraan gerefereerd wordt eind jaren vijftig van de zeventiende eeuw met de verwijzingen naar de oorlog tussen Spanjaarden en Engelsen in de Atlantische wateren. De Engelsen zijn duidelijk de haviken op het toenmalige internationale toneel, niet alleen tegenover Spanje maar ook tegenover de Republiek, met wie ze al enkele jaren eerder (1652-1654) in een zeeoorlog verwikkeld waren geweest. En het was beslist niet de laatste. De Spanjaarden zijn in ieder geval niet de vijand in het heden van de Amsterdamse Spanjaard. Vlak voor de Engelse aanval op Tenerife in 1657 waren ze zelfs in overleg met Michiel De Ruyter om de inhoud van de zilvervloot naar de Nederlanden te brengen om een mogelijke Engelse dreiging af te wenden.53

Dat recente verleden gebruikt De Bay eerder als decor voor de omzwervingen van de protagonist, waarbij ook een helder beeld van de Republiek wordt geprojecteerd: vanaf het begin van het verhaal – zelfs bij monde van Spaanse personages – wordt de Republiek gelauwerd als een ‘welgeregeerde staat’ met ongekende positieve aspecten. Zo vertelt de Sevilliaanse handelaar met wie de Amsterdamse Spanjaard zijn eerste reis naar de West-Indiën onderneemt:

Ik heb, zedert de Vrede-hanling met Spanjen en Holland, drie tochten na dien welgeregeerden Staat gedaen, alwaar de ommegang van verscheydene Staatkundige Persoonen my een groot licht in veele dwalingen (die ik van jongs op in gesogen had) gegeven heeft.54

De Republiek is sinds het tekenen van de vrede een weg ingeslagen die door de oude vijanden met respect en bewondering wordt aanschouwd. En wat nog meer is, deze groeiende macht blijkt ook in staat om hen van bepaalde dwalingen (vooral religieuze) te genezen. De potentie en de opwaartse spiraal waarin de Republiek verkeert, wordt ook door Tymon de tovenaar opgemerkt wanneer hij aan de Amsterdamse Spanjaard vertelt hoe in zijn geboorteplaats de Republiek wonderbaarlijke dingen plaatsvinden:

[...] nu de rechtveerdigheyt een achtste Wonder-werk opgebout wert, waer door nu de Staet bloeyt, en eeuwig bloeyen sal, by aldien de Nakomelingen de voetstappen der vrome Burger-vaderen komen te volgen. Maar wacht u wel, vervolgde hy, voor dese laetste, en overweegt eens met u redelyck verstant, in wat een Vagevuyr (veel arger dan de Hel) de sterffelyke Menschen zich selven wickelen, wanneerse om het aerdsche goed sich onder de macht van dese Gelt-harpyen begeven. Wel hoe, landsman, seyde ik, elk moet immers van sijn hantwerk leven […].55

In de roman wordt een rechte historische lijn getrokken tussen de ‘voor-ouders’, zoals we zagen bij de passage over de allegorische figuur Gewelt, en de ‘nakomelingen’ van de Republiek. Deze lijn verbindt de Opstand met dat heden van weldaad en progressie. De gedachte van een historische continuiteït is dus voelbaar in deze passage.

In dit laatste fragment filteren ook andere denkbeelden door over de bewoners van de Republiek. Zo lezen we over de overtuiging van de Amsterdamse Spanjaard dat men van zijn handwerk moet leven, in tegenstelling tot de Spaanse samenleving van die tijd, met zijn hiërarchische en adellijke structuur. De deugden van de Amsterdamse Spanjaard, en indirect van de bewoners van de Republiek, komen meermaals naar voren in het boek:

Dit laetste quam best met myn edelmoedige nature over een, en deed my een besluyt nemen, dat myns bedunkens een yeder, in nood en vreemde plaetsen zynde, behoort te volgen. Gy sult licht seggen, dat de lieden overal soo niet zyn, als in Nederland. Ik stae sulx gaerne toe; doch over al vind men goede en medelydende menschen, die wel een verlegen persoon, als hy eerlick is, sal helpen, wanneer het byten hun schade is.56

De roman eindigt met de bewonderende woorden van de Amsterdamse Spanjaard, wanneer hij na zijn vele omzwervingen terugkeert in Amsterdam en het achtste Wonderwerk aanschouwt, het Amsterdamse stadhuis:

Wy quamen tot Amsterdam, welcke Stad ick met verwondering aanschouude, en sag het nieuw Stadhuys, met al sijn Kunstwerk, dat geensints voor de Italiaensche gebouwen behoeft te wyken, maar in veele delen overtreft.57

Dit gebouw stond symbool voor de macht van de Republiek en maakte gebruik van een rijke iconografie die naar het verleden van de Opstand teruggreep.58

Conclusie

Literatuur, zelfs een minder bestudeerd genre als de roman, laat treffend zien hoe bepaalde episodes uit het vaderlandse verleden tot een canoniek narratief werden gesmeed dat de Nederlandse historische identiteit ondersteunde. Het oorprongsverhaal van de Republiek werd vaak uit de doeken gedaan. In 1654 schreef de rederijker Johannes Beuken een gedicht ter ere van de Oranjedynastie, waarin hij de belangrijkste episodes van de Opstand tot 1648 de revue liet passeren. Misschien redundant expliciteert hij dat wat hij vertelt ‘is ieder by na bekend’.59

De Amsterdamschen Spanjaert bood lezers van de zeventiende-eeuwse Republiek een onderhoudend werk waarin bovendien werd gezorgd dat het verleden van de Opstand niet ‘in ’t vergheet-boeck’ zou raken. De historische lijn tussen de voorouders en de nakomelingen van de Republiek valt in deze roman duidelijk te trekken. Deze Amsterdamse Spanjaard, via het verleden duidelijk verbonden met de oude vijand, blijkt uiteindelijk een ware telg van de welvarende Republiek. Hoewel de oorlog met Spanje verleden tijd was en andere internationale vijanden nu een hoofdrol speelden, bleef het begin van de ‘vrijheidsstrijd’ tegen de Spanjaarden, en tegen Alva in het bijzonder, een zeer geliefd verhaal. Hiervan getuigt nog een staaltje justitia poëtica in de trend van het aan het begin aangehaalde optreden van het bebloede geheugen van Alva. In de volgende passage aanschouwt de Amsterdamse Spanjaard, op bezoek bij het kasteel van Lucifer, iets opmerkelijks:

De eerste die ik sach was een oud Man, met een lange Baerd, en mager van Trony, die seer deerlyk vande Helsche Geesten gepynigt wert, want sy nepen hem het vlees met gloeyende Tangen uyt sijn Lyf, en Haspelden dan ’t Gebeenten over Helsche wielen, dat de oude Kneuken kraekten, ik vraegde aan Tymon, wat gast dat dit was: ’t is antwoorde hy een out Krygsman die over eenige jaren dapper in Nederland omgespookt heeft, en daer nae in Portigael gestorven is: hoe nae is het dan hervraegde ik den Hartog van … Swyg stil seyde Tymon, die gy seggen wilt heeft den paus te vriend (om dat hy de Ketters soo grooten afbreuk gedaan heeft) […].60

Het geestelijk of lichamelijk martelen van Alva kon waarschijnlijk op gejuich rekenen bij een Nederlands publiek. Hoe intermediaal historische cultuur is, komt duidelijk in dit citaat naar voren. Deze gepijnigde hertog wiens naam niet genoemd mocht worden en ook niet hoefde te worden, had bijna honderd jaar na zijn vertrek zijn plek helemaal veroverd in de Nederlandse historische canon. Zijn uiterlijk was een bekend onderdeel van zijn iconische beeld in de Nederlanden.61 Het nationale narratief waarvan hij deel was gaan uitmaken als belichaming van de wrede Spanjaarden kende geen discontinuïteit, geen countermemory.

De Bay maakt met zijn pseudovertalingen gebruik van een genre dat in populariteit had gewonnen sinds de jaren vijftig, de roman. Hij speelt ook met een picareske traditie die sinds de eerste Nederlandse vertaling van Lazarillo de Tormes in 1579 veel bijval genoot in de Republiek, ook omdat deze romans gelezen konden worden als een weerspiegeling van de ‘ware’ aard van de Spaanse vijand, in de lijn van de zwarte legende. De Bay verwerkt er bovendien spannende magische intermezzi in, populair bij het publiek van zijn tijd. De Bay had – waarschijnlijk in samenwerking met zijn uitgevers – een gat in de Nederlandse markt gevonden met zijn op Spaanse leest geschoeide romans over geliefde episodes uit het Nederlandse verleden.