Naar de receptie van Erasmus’ werken en gedachtegoed is al heel wat onderzoek gedaan. Toch voegt voorliggende bundel een aantal nieuwe inzichten toe. Met name op twee punten is de collectie vernieuwend. Ten eerste wordt aandacht besteed aan aspecten die in het verleden minder of amper belicht zijn geworden. Zo staan verschillende auteurs uitgebreid stil bij de receptie van de literaire dimensies van Erasmus’ werk. Ook poëzie, een genre dat doorgaans op de achtergrond bleef omdat Erasmus nu eenmaal niet bekend staat als een grote poëet, krijgt nu een centralere plaats toegemeten. Ten tweede is het boek vernieuwend in de zin dat het ruim aandacht schenkt aan de rol van de lezer in het receptieproces. Dat impliceert dat de auteurs niet op zoek gaan naar ‘invloed’, omdat dit het zwaartepunt al te zeer bij de ‘bron’ legt. In een dergelijke visie gaat men stilzwijgend uit van een passieve rol van de lezer – die zou niet meer doen dan slechts ondergaan. Het is juist de bedoeling van de verzamelde essays om te laten zien hoe elke lezer op een heel eigen manier met het ‘Erasmiaanse gedachtegoed’ (als dat al zou bestaan, zoals Karl Enenkel terecht opmerkt in de inleiding) omgaat. Dit boek zegt dan ook niets over de productie en verspreiding van Erasmus’ werken maar schetst aan de hand van een aantal case studies een beeld van de veelzijdigheid waarop individuele lezers het werk van de gevierde humanist lazen.

In de bundel wordt zowel plaats gemaakt voor grote namen als Pierre Ronsard en François Rabelais, als voor minder bekende auteurs, zoals de Italiaanse humanist Antonio Brucioli en de Nederlander Jan van der Wyck. Sommige bijdragen staan stil bij de receptie van een specifiek werk, anderen focusen eerder op ideeën. Bijzondere aandacht is er, zoals gezegd, voor de literaire aspecten van de receptie. Zo is er onder meer een studie over Eobanus Hessus’ poëtische bewerking van Erasmus’ Lof der Geneeskunde en een over de omzetting van de Lof der Zotheid in dialoogvorm. De focus van de bundel is niet beperkt tot de Latijnse wereld, maar opent eveneens een venster op de receptie in de volkstaal.

In totaal zijn er – zonder de inleiding – tien bijdragen. Die zijn onderverdeeld in vier delen. Het eerste deel bevat teksten van Karl Enenkel en Dirk Sacré en heeft als titel ‘humanisme’ mee gekregen. In het tweede deel, dat handelt over religieuze ideeën, zijn studies opgenomen van de hand van Lucia Felici, Gregory D. Dodds en Hilmar M. Pabel. Nadien wordt aandacht besteed aan Erasmus’ politieke ideeën met bijdragen van wijlen Philip Ford en Jeanine De Landtsheer. In het vierde en laatste deel staan Paul J. Smith, Reinier Leushuis en Johannes Trapman stil bij de receptie van de Lof der Zotheid in respectievelijk de Franse, Italiaanse en Nederlandse literatuur. Om kort te zijn: een collectie uiteenlopende, kwalitatieve essays die ‘de zelfstandigheid van de lezer’ als grootste gemene deler hebben.