In de zeventiende en achttiende eeuw konden landen conform het toenmalige oorlogsrecht beslag leggen op vijandelijke schepen. Engelse kapers lieten alle documenten die ze aan boord van een buitgemaakt Nederlands schip aantroffen als bewijsmateriaal voor de rechtsgeldigheid van de kapingsactie in archieven bewaren. Een ware goudmijn voor taalkundigen, want naast officiële papieren vervoerden zulke schepen ook dozen vol persoonlijke brieven: zo zijn vele brieven van matrozen die het thuisfront geruststelden of hun avontuurlijke belevenissen uit de doeken deden bewaard gebleven, naast bezorgde brieven van achtergebleven echtgenotes en kinderen. Het spreekt voor zich dat zulke bronnen een unieke kijk bieden op het Nederlands dat tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in de meer volkse klassen werd gebruikt. Onder leiding van Marijke van der Wal (Leiden) werd in 2008 het letters as boot-project opgestart, waarvan het te bespreken boek één van de vele vruchten is. Het hele brievenbestand van dit project is sinds september 2013 online raadpleegbaar via brievenalsbuit.inl.nl.

In (Extra)ordinary letters, voortkomend uit haar proefschrift, buigt Judith Nobels zich over de zeventiende-eeuwse brieven uit het corpus. In drie inleidende hoofdstukken motiveert zij het belang van Historical linguistics from below, presenteert en subcategoriseert ze het corpus en legt ze uit hoe autografen, eens ze van niet-autografen zijn onderscheiden, geïdentificeerd kunnen worden. Nobels’ interesse gaat immers hoofdzakelijk uit naar zelfgeschreven brieven, omdat het koffiedik kijken blijft in hoeverre scribenten de hand hadden in het neerschrijven van andermans brieven. Werden zulke brieven woord voor woord gedicteerd (in dat geval blijft de hele brief, afgezien van de spelling, een getrouwe afspiegeling van de taal van de zender) of schreef de scribent zelf een samenhangend verhaal aan de hand van enkele door de briefzender doorgespeelde gegevens? In haar algemene conclusies wijst Nobels er mijns inziens terecht op dat ook de niet-autografen voorwerp van studie zouden moeten worden.

De hoofdmoot van het werk bestaat uit zes case studies, waarin het voorkomen van een taalkundig fenomeen wordt besproken in het licht van parameters als geslacht, sociale klasse, herkomst en leeftijd van de briefschrijver. Een eerste casus behandelt de grote variatie in zeventiende-eeuwse aanspreekvormen en de dynamiek in het gebruik ervan. Naast enkele puur epistolaire aanspreekvormen (UE en UL gaan terug op uwe edelheid en uwe liefde) zijn er de ons nu nog vertrouwde vormen u, gij en jij. Nobels’ onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat de aanspreekvorm ‘jij’ slechts erg zelden in de brieven opduikt en dat het voornamelijk wordt gebruikt in brieven van ouders gericht aan hun kinderen. Waar ‘jij’ vooral voorkomt in de lagere sociale klassen, blijkt ‘UE’ weggelegd voor de ‘toplagen’.

Het beknopte hoofdstuk over reflexiviteit (‘hij wast zich’) en reciprociteit (‘we wassen elkaar’) levert zowel aporetische als verrassende resultaten op. Over de opkomst van het reflexieve voornaamwoord ‘zich’ brengt het briefcorpus weinig uitsluitsel, omdat er weinig wederkerende situaties in het corpus voorkomen. Reciprociteit of wederkerigheid drukken we sinds het zeventiende-eeuwse Standaardnederlands met ‘elkaar’ uit, terwijl we in het dagelijkse taalgebruik ook nog ‘mekaar’ zeggen – een vorm die in Vlaanderen overigens ook tot de standaardtaal behoort. Het wekt toch wel enige verbazing dat er in het briefcorpus geen spoor van ‘elkaar’ aan te treffen is, terwijl ‘mekaar’ erg goed vertegenwoordigd is.

Een derde casus richt zich op de tweeledige ontkenning (type: ‘soo en konde ick ul niet naerder schrijven’, conform p. 137). Nobels slaagt er in aan te tonen dat het eerste lid van de ontkenning ‘en’ meestal haplologisch achterwege blijft als een ‘men’ of een infinitief (op ‘en’) voorafgaat. Tevens komt ze tot de bevinding dat de tweeledige negatie in haar data nog veel sterker vertegenwoordigd is dan in eerder verricht onderzoek, dat meer toegesneden was op literair of officieel taalgebruik. Uit een regionale uitsplitsing van de data wordt duidelijk dat de enkelvoudige negatie in Noord-Holland moet zijn ontstaan, om zich vandaaruit zuidwaarts te verspreiden. Amsterdam blijkt evenwel een vreemde eend in de bijt, omdat de tweeledige ontkenning in deze grootstad nog welig tiert (zie p. 144 voor enkele mogelijke oorzaken). Holland blijkt ook de eerste regio die de doffe e op het einde van vele Nederlandse woorden (bijvoorbeeld ‘ic neme’) laat vallen en daarmee de zogenaamde sjwa-apocope doorvoert (de vierde casus). Vrouwen blijken hierin het voortouw genomen te hebben.

De vijfde case is gewijd aan de verkleinwoorden, waaruit blijkt dat vooral mannen uit de lagere klassen het spreektalige -je aan brieven durven toe te vertrouwen, terwijl hoger opgeleiden vasthouden aan het oudere -ke. In dit hoofdstuk staat de auteur ook uitvoerig stil bij de invloed van de spelling op de interpretatie van de gegevens. Een laatste hoofdstuk behandelt de bezitsconstructie (type: ‘de tand des tijds vs. het boek van Jan vs. Jan z’n boek’). Een nauwkeurige studie van de data bevestigt de beginhypothese dat de genitiefconstructie (‘des tijds’) in de gesproken taal wellicht niet meer voorkwam, tenzij in formulaire constructies.

Nobels’ werk bevat vele krenten, waarvan ik er in voorgaand overzicht slechts enkele heb uitgevist. Het boek is bovendien in een vlot Engels gesteld, zodat de lezer met relatief weinig inspanning ook de technische en detaillistische onderdelen kan behappen. Als relatieve buitenstaander lijken me de behaalde resultaten – deels bevestiging van eerder onderzoek, deels een kritische heroverweging daarvan – beslist belangwekkend. Nobels legt ook de nodige voorzichtigheid aan de dag door te beklemtonen dat we door het prisma van de geschreven taal, ook al is dat de taal van de lagere klassen, slechts een gedeeltelijk zicht krijgen op de gesproken taal.

Spijkers op laag water zijn natuurlijk altijd te vinden. Zo verdient het weliswaar aanmoediging dat de auteur een technisch tekstconversieproces als appendix in haar proefschrift opneemt (zulke methodologische keukenrecepten blijven immers al te vaak impliciet, ook al zou de wetenschappelijke gemeenschap er haar voordeel mee kunnen doen.). Het lijkt me wel overbodig zo’n tekst zowel in het Nederlands als in het Engels op te nemen. Ook kan men vragen stellen over de noodzaak van de introductie van de term encoder (p. 54), zeker als deze term in de literatuur veelal met een andere inhoud wordt ingezet én in de rest van het proefschrift geen rol van betekenis meer blijkt te spelen. Daarnaast lossen sommige koptitels de verwachtingen niet helemaal in. Het onderdeel Conclusions op p. 52 bevat bijvoorbeeld geen enkele slotsom, maar enkel een aankondiging van de inhoud van het volgende hoofdstuk. Omdat dit proefschrift in het kader van een ruimer project tot stand kwam, blijft de precieze rol van de auteur bij het vastleggen van het corpus en het ontwikkelen van de onderzoeksmethodologie betrekkelijk onduidelijk. Ten slotte zijn bibliografische verwijzingen niet consistent doorgevoerd: we vinden bijvoorbeeld Simons (2012) naast Burridge 1993 (p. 129).

De eindbalans is ronduit positief. De monografieën die de meest gezaghebbende uitgeverijen vandaag uitbrengen doen ons dikwijls geloven dat elk goed wetenschappelijk boek op de eerste plaats vooral lekker moet weglezen. Nobels’ streng systematische werk laat zien dat het ook anders kan. De percentages en taartdiagrammen ten spijt, is dit voor iedereen met een interesse in taal, methode en cultuurgeschiedenis een rijk, toegankelijk en aanstekelijk boek.