Vermoedelijk is de Amsterdamse wiskundige, instrumentmaker en cartograaf Willem Jansz Blaeu de bekendste Nederlandse drukker uit de zeventiende eeuw. Zijn roem dankt hij aan zijn atlassen, maar daarnaast onderscheidde hij zich ook met de uitgave van veel boeken op het gebied van de wiskunde, navigatie en astronomie. Omdat hij eminente humanisten als Caspar Barlaeus, Hugo Grotius en Gerardus Joannes Vossius aan zich bond, veranderde zijn fonds in de loop der tijd en maakten de humaniora er een steeds groter deel van uit. Blaeu’s drukkerij ‘In de Vergulde Zonnewijser’ lag ‘Op het water’, zoals het Damrak toen heette, in de directe nabijheid van zijn concurrenten Willem Janssonius en Jacob Aertsz Colom. In 1637 opende hij in samenwerking met zijn beide zoons Johan en Cornelis op de Bloemgracht een nieuwe en grotere drukkerij. Op dat moment bevond Blaeu zich al aan het einde van zijn carrière en was het vooral zijn zoon Johan die het bedrijf voortzette en verder uitbouwde.

De studie van Djoeke van Netten over de firma Blaeu (ook de jaren na de dood van de stichter komen beknopt aan de orde) werd in april 2012 als proefschrift verdedigd en is nu in een verbeterde handelseditie beschikbaar. Om verscheidene redenen is dit boek van belang, allereerst omdat het goed laat zien hoe Willem Blaeu gevangen zat in een groot dilemma. Hij werd gedreven door een exact-wetenschappelijke voorkeur die hem tot interessante wiskundige, cartografische en technische projecten stimuleerde. Anderzijds was er de noodzaak het bedrijf gaande te houden door uitgaven te verzorgen die met zijn wetenschappelijke voorkeur minder te maken hadden, maar wel rendement opleverden. Blaeu specialiseerde zich bijvoorbeeld in de semi-clandestiene productie van missalen en andere rooms-katholieke literatuur. Op de tweede plaats blijkt hoe belangrijk het was dat de drukker-uitgever Blaeu uitmuntte door kwaliteiten die bij de concurrent minder prominent aanwezig waren: technische bekwaamheid, inhoudelijke deskundigheid, een indrukwekkend fonds van boeken met een mooie letter, goed papier en een overzichtelijke lay-out, assistentie door bekwame correctoren, die ook bij de samenstelling van indices een handje konden toesteken, en – cruciaal voor de verkoop – een wijdvertakt distributienet. Maar naast deze kwaliteiten telde nog het meest dat de auteur zich bij de drukker thuis voelde en er zeker van kon zijn dat ideologische motieven niet met het productieproces interfereerden.

De scholar printer Blaeu bezat al deze kwaliteiten. Hij koppelde er als uitgever echter één nadeel aan dat hem een slechte reputatie bezorgde: zijn schildpadachtige traagheid als gevolg van de onweerstaanbare neiging te veel hooi op zijn vork te nemen. Deze eigenschap leidde ertoe dat auteurs die de geboorte van hun geesteskind in groot ongeduld afwachtten telkens weer met nieuw uitstel te maken kregen. Heel interessant is ook de merkwaardige, door Van Netten gedetailleerd beschreven, concurrentie tussen de voornoemde drukkers Blaeu, Janssonius en Colom. Privileges werkten alleen in het gebied dat ressorteerde onder de instantie die het privilege uitvaardigde. In de Noord-Nederlandse Republiek verschafte een privilege van de Staten-Generaal voor een bepaalde termijn, bijvoorbeeld zeven jaar, aan een drukker het monopolie op het (her)drukken van een boek. Boeken waarvan het privilege was verlopen waren vogelvrij. Het is aan de hand van Van Nettens studie goed te volgen hoe boeken, die in een eerste druk door Blaeu op de markt waren gebracht, vervolgens door Janssonius en Colom in een zuinigere letter en op goedkoper papier opnieuw werden gedrukt om een aandeel in het verkoopsucces te verwerven. Vooral Janssonius volgde deze strategie voortdurend en van de weeromstuit deed Blaeu hetzelfde.

Van Nettens indeling van het boek is overzichtelijk. Na inleidende hoofdstukken over de aan Blaeu en de vroegmoderne drukkerswereld gewijde literatuur en een beknopte levensgeschiedenis van de hoofdpersoon, volgen hoofdstukken over diens werk en netwerk. Uitgebreid wordt ingegaan op Blaeu’s eigen studies, met name zijn zeemansgidsen, en de samenwerking met wiskundigen als Adriaan Metius. Ook is er een boeiend hoofdstuk over zijn uitgave van Copernicus’ De revolutionibus, de derde druk in de geschiedenis van dit roemruchte boek. Ofschoon Blaeu in zijn zeemansgidsen verbloemde welk wereldbeeld hij aanhing, was hij een overtuigd Copernicaan. Hierna wordt Blaeu gepresenteerd als drukker van de geleerden die op een of andere manier verbonden waren met de Amsterdamse hogeschool, het ‘Athenaeum Illustre’. In een afsluitend hoofdstuk en een epiloog komen alle tevoren uitgezette lijnen samen. Van Netten biedt een analyse van Blaeu’s betekenis door hem in de context van de drukkers- en uitgeverswereld van die tijd te plaatsen.

De studie is vlot en helder geschreven. Vanuit een reeks interessante boekhistorische invalshoeken worden de fundamentele principes van Blaeu’s succesvolle bedrijfsvoering inzichtelijk gemaakt: onovertroffen kwaliteit van het drukwerk, commerciële finesse, intensieve contacten in geleerde en (niet te vergeten) bestuurlijke kringen. Er zijn veel afbeeldingen die het betoog illustreren. Een positief oordeel over dit boek is dan ook zeker op zijn plaats, temeer omdat Van Netten te maken had met een handicap die zij knap overwonnen heeft. Zij beschrijft de werkzaamheid van een handwerksman en koopman in kennis. Maar een bedrijfsarchief ontbreekt en anders dan de geleerden die hij in zijn fonds had heeft Blaeu zich niet of nauwelijks geuit in brieven en andere persoonlijke getuigenissen. De onderzoekster moest op zijn gedrukte werken afgaan en vaak genoegen nemen met de wat onpersoonlijke berichten aan de lezer. Juist deze schaarsheid aan autobiografische gegevens geeft aanleiding tot een kritische opmerking. Het is jammer dat de auteur informatie in zeventiende-eeuwse geleerdencorrespondenties maar heel gedeeltelijk heeft benut, ook wanneer zulke informatie een aanvulling vormt op kwesties die zij zelf heeft aangesneden. Vanzelfsprekend stelden Blaeu’s geleerde auteurs zijn handelwijzen voortdurend aan de orde in hun onderlinge correspondenties. Blaeu blijft ook in karakterologisch opzicht een schimmige figuur, maar een tipje van de sluier had kunnen worden opgelicht door details in de brieven van bijvoorbeeld Gerardus Joannes Vossius te benutten.

Vossius was een briefschrijver pur sang. Met Blaeu voerde hij herhaaldelijk gesprekken, waarvan hij in zijn brieven gedetailleerd getuigenis aflegde. Interessant is een brief uit 1638 (Briefwisseling GrotiusIX, no. 3414) waarin Vossius de financiële handel en wandel van Blaeu senior aanroert en te kennen geeft dat diens uitgave van de atlassen te zwaar op de begroting drukte en specialistische projecten als de Grieks-Latijnse editie van Grotius’ Anthologia Graeca in de weg stond. De drukker was er depressief van geworden en zag zijn levenseinde naderen. Uit een andere brief van Vossius (XI, no. 4854) kan worden opgemaakt dat beide aartsvijanden Blaeu en Janssonius eindelijk tot een verzoening waren gekomen. Grotius’ briefwisseling biedt nog meer stof voor (ik geef toe) futiele kanttekeningen. Zo betwijfel ik of zijn gedicht Silva ad Thuanum (1621) werkelijk door de Delftenaar Bruyn Harmansz Schinckel is gedrukt (p. 203). De naam van de Parijse drukker Robert III Estienne staat op de titelpagina en de auteur zelf zegt dat de uitgave in Parijs verschenen was (VI, no. 2211). Bovendien rijst de vraag hoe het kan dat Grotius de exemplaren vanuit Parijs verdeelde (II, nos. 673, 683 en 685). Als de druk inderdaad door Schinckel werd verzorgd, dan moet de oplage in zijn geheel zijn overgebracht naar Parijs, waar Grotius vervolgens de boeken verzond. Kennelijk wilde hij de verdeling in eigen hand houden vanuit de gedachte dat het hier een uitgave voor intimi betrof.

Op p. 202 vraagt de auteur zich af waarom Blaeu voor de Republiek geen privilege kreeg om de heruitgave van Grotius’ De iure belli ac pacis (1631) tegen roofdrukken te beschermen. Het antwoord ligt voor de hand. Zoals in hetzelfde jaar ook bij de uitgave van Grotius’ Inleiding tot de Hollandsche rechts-geleertheyd bleek, zou een privilege voor de balling zijn neergekomen op een rehabilitatie die na de val van Oldenbarnevelt in 1618 ondenkbaar was. Grotius was immers in 1619 tot levenslange gevangenschap veroordeeld en kort daarna had de Staten-Generaal die veroordeling nog eens bevestigd door zijn politieke apologie, de Verantwoordingh van 1622, uitdrukkelijk als een ‘seditieus libel’ te censureren. De relatie Grotius-Blaeu kan volgens de auteur niet als een gelijkwaardige vriendschapsband worden gekarakteriseerd (p. 205 en 253). Een dergelijke inschatting is goed verdedigbaar, want Blaeu was een op bedrijfscontinuïteit gerichte ondernemer voor wie de omgang met hoog gepositioneerde sterauteurs allereerst bepaald werd door de revenuen die zij in het laatje brachten. Anderzijds zag Grotius in ‘onze Blaeu’ een geestverwant en verwees hij herhaaldelijk en uitdrukkelijk naar de vriendschap die hem aan de drukker bond (VI, no. 2407; VII, nos. 2880 en 2885). De constatering van Van Netten dat Blaeu na Grotius’ dood geen nieuwe werken van deze auteur meer heeft uitgegeven (p. 244) is onjuist. In 1657 publiceerde Blaeu nog de Annales et Historiae, een forse foliant die veel aandacht trok.

Deze detailkritiek mag het totaalbeeld echter niet bederven: samenvattend kan worden gesteld dat Blaeu’s uitzonderlijke betekenis als drukker-uitgever, wetenschapsbeoefenaar en intermediair in deze gedegen studie goed naar voren komt. Hopelijk heeft de auteur gelegenheid het onderzoek voort te zetten en de geschiedenis door te trekken naar het begin van de achttiende eeuw toen de beroemde firma Blaeu uiteindelijk het loodje moest leggen, mede als gevolg van een verwoestende brand die de drukkerij in het rampjaar 1672 in de as had gelegd.