De grachten van Amsterdam verscheen in oktober 2013 als een van de vele publicaties ter gelegenheid van het vierhonderdjarig bestaan van de Amsterdamse grachtengordel. Het boek – waarvan tegelijkertijd een Engelse editie verscheen – is de opvolger van Het Grachtenboek van Paul Spies en anderen uit 1991. Bij die publicatie waren deels dezelfde auteurs en onderzoekers verbonden als bij De grachten van Amsterdam. De opzet van het boek was en is om een selectieve beschrijving te geven van de huizen en gebouwen in de Amsterdamse binnenstad, aan de hand van architectonische bijzonderheden en illustere bewoners. Werd in het tweedelige werk uit 1991/1992 vrijwel de gehele binnenstad beschreven, in De grachten van Amsterdam is ervoor gekozen de geografische grens te leggen bij het gebied dat door de UNESCO in 2010 tot werelderfgoed is verklaard. Het ging er de samenstellers uitdrukkelijk niet om een boek ‘met wetenschappelijke statuur te schrijven’ (p. 9).

In elf beknopte inleidende hoofdstukken wordt de geschiedenis van de grachtengordel geschetst. Hierbij wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan de waarderingsgeschiedenis van de grachtengordel, de rol van het water en de stedenbouwkundige aspecten van de Derde en Vierde Uitleg. Ook onderwerpen als rijkdom, geloof en rede en armenzorg komen aan de orde, gevolgd door het bouwen aan de grachten en wooncultuur. De inleidingen worden afgesloten door bijdragen die zijn gewijd aan tuinen, de bescherming van het stadsbeeld en de betekenis van de werelderfgoedstatus.

In feite zijn al deze stukken al vaker geschreven, soms zelfs door dezelfde auteurs en bieden zij voor de kennis van de stad weinig nieuws. De inleidingen zijn bovendien dikwijls wat impressionistisch van aard en eindigen niet zelden abrupt, alsof de auteurs bij het schrijven voortdurend het aantal woorden van hun tekst hebben zitten tellen. Hierdoor blijft het eerste deel van het boek enigszins steken bij een samenvatting van reeds bekende feiten. Een integrale visie op de grachtengordel ontbreekt.

Het tweede deel van het boek bestaat uit bijna vierhonderd pagina’s met geïllustreerde beschrijvingen en actuele foto’s van de panden langs de grachten. Systematisch zijn de oneven en even zijden van de grachten beschreven, waarbij noodgedwongen veel huizen onvermeld blijven. Ook ontbreken de geveltekeningen van Caspar Philips, die achterin in de editie van 1991 wel opgenomen waren. Daardoor kan de huidige situatie niet meer met het grachtenbeeld van rond 1770 worden vergeleken. Dit is een aanmerkelijke stap terug omdat de lezer niet meer in staat is de fascinerende transformatie die de gevelwanden aan de Herengracht en Keizersgracht in de voorbije 250 jaar hebben ondergaan te volgen. Bovendien is er voor gekozen in het boek alleen grachten te beschrijven waar nog water door stroomt. Informatie over bijvoorbeeld de Vijzelgracht, het ‘Noortse Bosch’, de Leidsestraat of de Negen Straatjes zoekt de lezer tevergeefs, terwijl die toch onlosmakelijk deel uitmaken van de zeventiende-eeuwse grachtengordel.

De beschrijvingen van de panden zijn uitnodigend, beknopt en onderhoudend. De grachtenhuizen krijgen reliëf door de historische informatie en al lezende wordt duidelijk hoe veerkrachtig de zeventiende-eeuwse stad al met al is. De tekst is over het algemeen goed afgestemd op het beeldmateriaal en door het gebruik van een rode steunkleur voor de huisnummers, is snel te zien welke huizen zijn beschreven en welke ontbreken. Maar ondanks de forse omvang van het boek, wordt er met reuzenstappen langs de panden gelopen. Bij lezing van de tekst wordt duidelijk hoeveel panden er uiteindelijk niet worden genoemd, zodat zich regelmatig de vraag voordoet waarop de keuze van de panden is gebaseerd. Is dit omdat er over die andere panden niets te vertellen zou zijn? Zijn de beschreven panden representatief voor de rest? De ‘lelijke eendjes’ worden overgeslagen, terwijl de panden die al in vele andere publicaties beschreven zijn, wederom veel aandacht krijgen.

Deze onevenwichtigheid is ook in de teksten over de wel genoemde huizen terug te vinden. Soms zijn die zeer uitgebreid over een bewoner (p. 91–92), bewoningsgeschiedenissen (p. 160–162) of architectuur. Op andere plaatsen zijn de beschrijvingen juist erg terloops, bijvoorbeeld alleen over een geveldetail, het feit dat er een paar bakkers hebben gewoond, zoals op Keizersgracht 1 (p. 190) of een vermelding van de naam van een huis. Daardoor krijgt de tekst op zulke momenten het karakter van een wandelgids. Een naslagwerk – zoals het uit 1976 stammende Herengrachtboek, waarin stuk voor stuk alle panden langs de Herengracht aan de hand van hun bewoningsgeschiedenis worden beschreven – is De Grachten van Amsterdam dan ook zeker niet. Daarvoor zit de omvang van het boek, of beter gezegd, de omvang van de Amsterdamse grachtengordel, te veel in de weg. De noodgedwongen beperking van de omvang is begrijpelijk, maar in vergelijking met de editie van 1991 valt op dat in de nieuwe uitgave veel minder woorden op een bladzijde staan, terwijl ook de randteksten met aanvullende informatie zijn vervallen.

De beknoptheid van de pandbeschrijvingen leidt soms tot simplificatie. Zo wordt gezegd dat Singel 32 van rond 1730 stamt (p. 81), Singel 36 van 1763 (p. 82), Singel 58 van 1753 (p. 82) en Singel 60 rond 1745. Het betreft hier echter alleen de voorgevels, terwijl juist heel veel panden binnen de grachtengordel worden gekenmerkt door het feit dat er achter de jongere voorgevel oudere panden schuilgaan. Tot circa 1880 was het heel gebruikelijk dat panden een facelift kregen, terwijl het casco gewoon bleef staan. Ondanks de vele illustraties is bovendien wel erg karig omgesprongen met het plaatsen van plattegronden en doorsnedes, tekeningen die in één oogopslag duidelijk maken hoe panden in elkaar zitten en functioneren.

Het is welhaast onvermijdelijk dat een uitgave als deze een aantal missers bevat. Dat het werk van architect Philips Vingboons in 1991 ‘nog niet behoorlijk beschreven’ zou zijn (p. 8) is onjuist. Het proefschrift van Koen Ottenheym uit 1989 is immers geheel aan het werk en leven van deze architect gewijd. Ook de stelling dat er na 1901 geen gemeentelijke pogingen meer zouden zijn gedaan ‘om een gracht in de door de burgerij zo teer gekoesterde gordel te dempen’ (p. 14) klopt niet, getuige het feit dat de Vijzelgracht pas in de jaren dertig werd gedempt. De panden Singel 466–468 (p. 76) en Singel 480 (p. 77) zijn terecht gekomen tussen de beschrijving van de oneven kant en Hendrick de Keyser was geen stadsarchitect maar stadssteenhouwer (p. 88).

De grachten van Amsterdam is ondanks de hierboven genoemde kritiekpunten zonder meer een prachtig boek met een schat aan informatie. Voor wie zonder verdere vraagstelling wil bladeren en lezen over de huizen in de grachtengordel is dit een uitstekend boek. De lezer die iets dieper wil graven doet er echter goed aan meer vakspecialistische literatuur te raadplegen. Voor hem of haar blijft De grachten van Amsterdam te veel aan de oppervlakte dobberen.