Deze monografie over Gonzales Coques in de reeks Pictura Nova is gebaseerd op het proefschrift van Marion Lisken-Pruss, dat zij in 2002 verdedigde aan de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität in Bonn onder het toeziend oog van haar Doktorvater Justus Müller-Hofstede.

Lisken-Pruss geeft ter inleiding een kort overzicht van de portrettraditie vanaf de Vlaamse Primitieven tot en met Rubens. Deze laatste bepaalde de portretmode in de eerste helft van de zeventiende eeuw samen met Antoon van Dyck en Cornelis de Vos. Hoewel ‘de kleine Van Dyck’ voortbouwde op deze rijke portrettraditie, betrad hij vanaf de jaren 1640 met zijn kleinschalige en intieme kabinetstukken ongeëffende paden. Het kleine formaat waarvan Coques zich bediende was cruciaal en bekoorde vooral de middenklasse, hoewel hij ook voor de adelstand schilderde. De echtparen en groepsportretten werden aan het doek toevertrouwd in schijnbaar informele houdingen en geënsceneerde activiteiten. De iconografische complexiteit van Coques’ portretten wordt door de auteur mooi geanalyseerd aan de hand van de keuze voor waardeoordelende en statusbepalende attributen en hun symboliek. Het zijn narratieve werken – méér dan zomaar genreschilderijen – waarin het afgebeelde een subtiele en gepersonaliseerde codering bevat die de levensstijl van de geportretteerden moest kenmerken. En, die deze levensstijl ook overbrengen bij de toeschouwer. Hoewel de groepsportretten het hoofdonderwerp van het oeuvre uitmaken, schilderde Coques ook een groot aantal individuele portretten die een eerder private functie hadden.

Als barometer voor de waardering van individuele kunstenaars is er de kunstmarkt. Het werk Jonge familie met clavecimbel (Kat. 8) werd uitgebreid onder de aandacht gebracht door Salomon Lilian op de TEFAF-beurs van 2014, in een mooi geïllustreerde catalogusnotitie (cat. no. 4). Er wordt hierin echter ten onrechte verondersteld (zie n. 6) dat Lisken-Pruss een verkeerde identificatie maakte van de geportretteerde als Johannes Couchet. Op p. 106 van haar monografie staat er wel degelijk te lezen dat de geportretteerde familie niet werd geïdentificeerd door de auteur.

Het doorwrochte essaygedeelte van het boek bestaat uit de levenswandel van de kunstenaar, de positie van Coques’ portretkunst in de zeventiende eeuw en de bespreking van de werken zelf. Het werk is logisch geordend, maar vanuit het catalogusgedeelte vraagt het wat bladerwerk om de beschrijving van een werk terug te vinden. De keuze voor dit format ligt voor de hand maar een kruisverwijzing vanuit de catalogus naar de tekst was zeker handig geweest.

De catalogue raisonné bestaat uit 56 schilderijen, die chronologisch geordend zijn, gevolgd door eveneens 56 werken die voorlopig enkel gekend zijn door secundaire bronnen als prenten en vermeldingen in inventarissen of uit de literatuur. Er zijn 27 twijfelgevallen opgenomen en 106 valse toeschrijvingen. Het eigenhandig getekende oeuvre is ongekend, de vijf tekeningen hier opgenomen betreffen toeschrijvingen uit de literatuur. Het grote aantal valse toeschrijvingen aan Coques wijst op de vergaarbak die zijn oeuvre is geweest. Het verschijnen van een degelijke en omvangrijke studie als deze, schept eindelijk meer duidelijkheid in het eigenhandige oeuvre.