Dirck Raphaelszoon Camphuysen (1586-1627) heeft tegenwoordig geen plaats in de canon van beroemde schrijvers uit de Gouden Eeuw. Toch was hij in de zeventiende eeuw een van de meest succesvolle auteurs. Van Camphuysens geestelijke liedboek Stichtelycke rymen (eerste editie Hoorn 1624) zijn in deze periode minstens veertig edities bekend. Een ‘platina liedboek’ noemt Schenkeveld het werk dan ook in deze fris vormgegeven studie. De uitgever van deze op een breder publiek gerichte publicatie maakt het nog iets explicieter: “De Huub Oosterhuis van de 17e eeuw tot leven gewekt.” Het boek is opgebouwd uit twee delen. Het tweede deel biedt een bloemlezing uit de Stichtelycke rymen. Hierin komt Schenkeveld de ongetrainde lezer tegemoet met hertaling en herspelling van de gekozen teksten, evenals lexicale annotaties. In het eerste deel geeft Schenkeveld een heldere inleiding in leven en werk, voorzien van royale (en eveneens hertaalde) passages uit de primaire bronnen.

Het bijzondere curriculum vitae van Camphuysen biedt een interessant licht op het succes van zijn werk, vooral vanuit het perspectief van de multi-confessionele religieuze cultuur in de Republiek. Dirck groeide op in een doopsgezinde omgeving en werd omwille van zijn tekentalent leerling bij de Gorcumse schilder Dirck Govers (opmerkelijk genoeg zag hij later juist de schilderkunst als verdorven “oog bedroch” en “voedtsel van qua’e lust en fieltsche sotterny”). Een late roeping zorgde er vervolgens voor dat hij theologie ging studeren. Tijdens de bestandstwisten koos Camphuysen voor de Remonstrantse kant, werd verbannen en vluchtte naar het Duitse plaatsje Norden, waar hij samen met Pieter Arentsz. een drukkerij opzette. Hij ontwikkelde Sociniaanse sympathieën, waardoor hij van de Remonstranten verwijderde. Op de vlucht voor de pest belandde Camphuysen na enige omzwervingen in Dokkum. Hier overleed hij na een moeizaam, opgejaagd bestaan uiteindelijk in 1627, nog voor de werkelijke doorbraak van zijn Stichtelycke rymen.

In haar inleiding over de Stichtelycke rymen benadrukt Schenkeveld dat de liederen een strikt moreel appèl op de lezers doen, maar dat dit zich vooral richt op het leven en de gemoedsgesteldheid van de individuele gelovige. Samen met de toegankelijkheid van teksten en de aantrekkingskracht van het lied als genre, lijkt dit een verklaring te bieden voor het brede succes van een auteur die met zijn religieuze opvattingen niet bepaald tot de mainstream behoorde. Interessant, tenslotte, zijn ook Schenkevelds bevindingen over de melodieën van deze liederen, die blijk geven van de dichters vertrouwdheid met internationale componisten als John Dowland, Giovanni Giacomo Gastoldi en Luca Marenzio.