Al mag de titel niet de meest pakkende zijn en al had een prominente uitgever als Ashgate wel iets aandachtiger naar het Engels mogen kijken, met dit boek heeft Daniela Prögler een interessante bijdrage geleverd aan de universiteitsgeschiedenis. Zij doet dat door een populatie van 831 ‘Engelse’ studenten ten tonele te voeren die de universiteit van Leiden in de eerste vijfenzeventig jaar van haar bestaan heeft bezocht en die zij op een aantal variabelen heeft onderzocht. Zij plaatst haar resultaten in een breder kader van de vroegmoderne universiteitsgeschiedenis en de studentenmobiliteit in het bijzonder. Ze werpt met haar studie nieuw licht op deze interessante populatie, maar ook op de relatie tussen Engeland en de Republiek, terwijl zij het beeld van de Leidse universiteit als internationaal vermaard intellectueel centrum nog eens bevestigt.

Na een korte inleiding schotelt de auteur de lezer zes hoofdstukken voor waarna een conclusie, een appendix, een bibliografie – waarin ik wel wat niet-onbelangrijke titels miste – en een index volgen. In het eerste hoofdstuk wordt kort het universitaire landschap in vroegmodern Europa geschetst. Dat maakt dat ook niet-specialisten snel de weg weten in de universiteitswereld van omstreeks 1600. In hoofdstuk twee komt het studeergedrag van Engelse studenten en de samenstelling van de Engelse studentenpopulatie thuis aan de orde. In het derde hoofdstuk behandelt de auteur de Engelse studenten die het eiland verlieten om op het continent te studeren. In hoofdstuk vier gaat de auteur dieper in op de verschillende betrekkingen tussen Engeland en de Republiek (in wording) en de invloed die mensen uit de Nederlanden – nogal onhandig als Dutch betiteld – op verschillende aspecten van de Engelse cultuur, economie en het religieuze leven hebben gehad. In hoofdstuk vijf wordt beschreven welke aantrekkingskracht de universiteit Leiden had, specifiek ook voor ‘Engelse’ studenten. Dit is een interessante categorie, want, zoals blijkt zaten er nogal wat ‘tweede generatie immigranten’ uit de Nederlanden tussen. Daarmee is mooi de achtergrond opgebouwd voor het belangrijkste en grootste zesde hoofdstuk.

In hoofdstuk zes worden de resultaten geëtaleerd, waarbij onder andere studiegedrag, leeftijd, sociale en religieuze achtergrond worden geanalyseerd. Die analyse verdient eigenlijk nadere aandacht in een uitgebreide recensie, want zij nodigt wel uit tot discussie. Mensen die zich interesseren voor de culturele en intellectuele betrekkingen tussen Engeland en de Republiek tussen 1575 en 1700 kunnen niet om dit boek heen en zullen er veel waardevolle informatie uit kunnen halen, al was het alleen maar omdat alle studenten er op achternaam en voornaam in vermeld staan en omdat er een nadere toegang op internet wordt aangeboden.