In deze mooie studie werpt Christine Kooi nieuw licht op de complexiteit van religieuze co-existentie in zeventiende-eeuws Holland. De omgang tussen calvinisten en katholieken, die allemaal claimden het ‘ware geloof’ te belijden, staat centraal. Kooi vraagt hoe deze twee geloofsgroepen vreedzaam naast elkaar konden leefden in een samenleving die religieus heterogeen was maar waarbinnen de gereformeerde kerk erkend werd als de officiële publieke kerk.

Kooi is niet de eerste historicus die deze paradox aankaart. Haar belangrijkste bijdrage aan de bestaande studies over vroegmoderne tolerantie en confessionele co-existentie (een term waaraan historici vaak de voorkeur geven) is dat ze in haar onderzoek drie verschillende, maar wel overlappende, metaforische ruimtes onderscheidt waarbinnen interactie tussen confessies plaatsvond: confessioneel (confessional), burgerlijk (civic) en particulier (private). De hoofdstukken concentreren zich ieder op een van deze ruimtes, behalve hoofdstuk 1, dat de politieke context van de Republiek bondig inleidt.

Hoofdstuk 2 laat zien dat de tegenstellingen tussen calvinisten en katholieken het grootst waren in de confessionele ruimte, en dat is volgens Kooi ook niet zo vreemd. Predikanten en priesters moesten natuurlijk niets hebben van elkaars geloof en lieten dat blijken in preken en polemische publicaties. Dit hoofdstuk verrast niet erg. Spannender is hoofdstuk 4 dat ook over de confessionele ruimte gaat. Hier gaat Kooi in op de concurrentiestrijd tussen calvinisten en katholieken: een strijd om zielen. Ze laat overtuigend zien dat religieuze pluriformiteit niet alleen gezien moet worden als een oplossing voor religieuze spanningen, maar dat pluriformiteit die spanningen ook juist kon bevorderen.

De burgerlijke ruimte krijgt aandacht in hoofdstuk 3. Hierbij sluit Kooi aan bij recente studies over co-existentie en kijkt naar de manier waarop autoriteiten omgingen met katholieken. Ondanks tegenstellingen in de confessionele ruimte werd er in de burgerlijke ruimte vaak pragmatisch omgegaan met pluriformiteit. Kooi toont aan dat het gangbare ideaal van religieuze uniformiteit gezagsdragers in de praktijk niet verhinderde om stedelijke harmonie te prioriteren boven religieuze eenheid.

In hoofdstuk 5 laat Kooi zien hoe religieuze co-existentie werkte in de particuliere ruimte. Hier golden weer andere scheidslijnen dan in de confessionele en burgerlijke ruimtes en speelden persoonlijke relaties een nog belangrijkere rol in de manier waarop mensen vormgaven aan religieuze pluriformiteit.

Dit boek is helder afgebakend, gebaseerd op een indrukwekkend aantal archiefbronnen, en voldoende ingekaderd in de secundaire literatuur. Koois drie metaforische ruimtes bieden de lezer nieuwe inzichten in de religieuze co-existentie van calvinisten en katholieken in de zeventiende eeuw.