Dit elfde volume in de inmiddels bekende Brepolsreeks Architectura Moderna vindt zijn oorsprong in het gelijknamige colloquium dat in december 2011 door de Faculteit Ontwerpwetenschappen van de Universiteit Antwerpen werd georganiseerd in het Rubenianum, naar aanleiding van de tentoonstelling Palazzo Rubens: De Meester als Architect. Net als de catalogus van die tentoonstelling besteedt deze bundel ruim aandacht aan Peter Paul Rubens en de vraag in welke mate de beroemde schilder ook als architect actief was – een vraag die reeds aan bod kwam in het eerste volume van deze reeks, gewijd aan Rubens’ boek Palazzi di Genova. Hier wordt het debat in een breder perspectief geplaatst door het fenomeen van de zogenaamde schilder-architect in Italië en de Zuidelijke Nederlanden vanuit diverse invalshoeken te belichten door dertien auteurs in evenveel bijdragen.

De twee inleidende essays verduidelijken waarom er van de vele Italiaanse schilders die bedreven waren in het verbeelden van architectuur, slechts weinigen effectief als architect werkten (Howard Burns) en hoe in talrijke traktaten het begrip ‘disegno’ (dat zowel ‘tekening’ als ‘ontwerp’ betekent) werd gezien als de gemeenschappelijke grondslag van architectuur, schilderkunst en beeldhouwkunst (Werner Oechslin). Daarna volgen vier casestudies over individuele schilders-architecten. Na het beroemde duo Sebastiano Serlio (Sabine Frommel) en Vignola (Bruno Adorni) komen twee Antwerpenaars in Italië aan bod: Wensel Cobergher, die als schilder in Rome en Napels werkte en daarna hofarchitect werd in Brussel (Tine Meganck), en de minder bekende Frans Geffels, die in Mantua voor de Gonzaga’s werkte (Giulio Girondi).

De andere bijdragen behandelen de link tussen architectuur en schilderkunst in bredere zin. Twee auteurs bestuderen de verspreiding van architecturale kennis via tekeningen en prenten in de vroege zestiende eeuw. Hierbij waren naast schilders en architecten ook beeldhouwers, houtsnijders, goudsmeden en graveurs actief als ‘designers’ van architectuur (Oliver Kik) en speelden schetsboeken van rondreizende kunstenaars een belangrijke rol (Christopher Heuer). In twee andere studies staan beschilderde façades centraal: die van het huis van de schilder Frans Floris, een voorloper van het nabijgelegen Rubenshuis (Ed Wouk), en van de palazzi in Genua ten tijde van Rubens (Stefano Musso). De laatste drie bijdragen focussen op Rubens en verduidelijken zijn omgang met architecturale ruimte en licht, zowel in zijn schilderijen als in het Rubenshuis (Piet Lombaerde), steunend op een kritische digitale reconstructie van het Rubenshuis (Stefan Boeykens) en op een kwantitatieve en comparatieve analyse van de architecturale elementen op Rubens’ schilderijen (Carolien De Staelen).