Deze congresbundel is de meest recente toevoeging aan de literatuur over tronies in de schilderkunst van de Nederlanden. De voorbije jaren konden deze karakterkoppen al op heel wat belangstelling rekenen. Het boek is de neerslag van een symposium dat in 2011 werd georganiseerd in het Haus der Kunst in München, in samenhang met een tentoonstelling waarin het werk van Marlene Dumas in dialoog trad met dat van oude meesters (Tronies. Marlene Dumas und die Alten Meister, München 2010). De bundel is een mooie aanvulling op Hirschfelders gepubliceerde proefschrift (Tronie und Porträt in der niederländischen Malerei des 17. Jahrhunderts, Berlijn 2008) en op dat van Franziska Gottwald (Das Tronie – Muster, Studie und Meisterwerk. Die Genese einer Gattung der Malerei vom 15. Jahrhundert bis zu Rembrandt, Berlijn 2011).

Het boek bevat acht essays, alle geïllustreerd in zwart-wit. Bijkomend zijn vijftien kleurplaten opgenomen, gevolgd door een index. Thomas Kirchner introduceert de theoretische grondslagen van het genre en schetst een chronologische ontwikkeling van Alberti tot Diderot. Lia van Gemert zoekt en vindt parallellen tussen schilderkunst en literatuur. Ze brengt verbanden aan het licht tussen geschilderde tronies en zowel de verheven als de lagere genres van de literatuur. Vooral waar het komedie betreft, illustreert haar bijdrage goed hoe literaire tronies een moraliserende boodschap weten te communiceren. Het stuk van Arianne Baggerman en Rudolf Dekker vindt vlot aansluiting bij van Gemerts tekst. Met een selectie uit egodocumenten, vooral dagboeken, illustreren ze hoe auteurs uit de gouden eeuw te werk gaan bij de kunst van het gezichten lezen. Dagmar Hirschfelder brengt de invloed in kaart die zeventiende-eeuwse tronies uit de Nederlanden uitoefenden op achttiende-eeuwse Europese kunstenaars zoals Balthasar Denner, Jean-Honoré Fragonard en Giambattista Tiepolo. Peter Black maakt een boeiende detailanalyse van een Rubenstronie, waarbij hij het ontstaan, het gebruik in het atelier en het Nachleben van de tronie in kwestie bespreekt. Jan Muylle belicht de vroege receptie van Rembrandts tronies in Frankrijk en vestigt met een serie filosofenkoppen van Nicolas Lagneau de aandacht op een minder bekende Franse bijdrage aan het genre. Jan Nicolaisen stelt scherp op twee tronies van Jan Lievens, het uitgangspunt voor een essay over het theatrale spanningsveld tussen portret, portrait historié en tronie. León Krempel tot slot duidt vier beroemde tronies van Johannes Vermeer als beeldparen die in samenhang een allegorische betekenis bevatten.

Hoewel Hirschfelder en Krempel er in hun voorwoord nadrukkelijk op wijzen dat de verzelfstandiging van de tronie als schilderkunstig genre werd aangewakkerd door de atelierpraktijk van meesters zoals Floris, Rubens en Van Dyck, stelt alleen Black scherp op Antwerpen. Daarmee blijven de Zuidelijke Nederlanden relatief onderbelicht. De catalogus bij een dossiertentoonstelling die in Caen en Gent werd georganiseerd (Abraham Grapheus, model van Jacob Jordaens, Gent 2012) en het hoger vermelde proefschrift van Gottwald bieden de geïnteresseerde lezer wat tegenwicht bij deze fraai uitgegeven bundel die een nuttige toevoeging is aan de literatuur over tronies, niet in het minst omdat het onderwerp vanuit erg uiteenlopende hoeken wordt belicht.