Dit nummer van De Zeventiende Eeuw bevat vijf lezenswaardige artikelen, die samen een breed terrein van het zeventiende-eeuwse culturele erfgoed van de Nederlanden bestrijken. Het nummer opent met een bijdrage van Dirk van Miert en Henk Nellen over de communicatieve situatie van de zeventiende-eeuwse geleerdenbrief, die een schakel vormde tussen persoonlijk gesprek en gedrukt werk. Van Miert en Nellen onderzoeken de afnemende gradaties van vertrouwelijkheid van deze drie communicatievormen aan de hand van discussies met en over de Franse theoloog Isaac de la Pèyrere. Zij maken daarbij gebruik van nieuwe inzichten uit de literatuurwetenschap, cultuurgeschiedenis en wetenschapsgeschiedenis.

Ook in de bijdrage van Joas van der Schoot ligt de focus op intellectuele geschiedenis. Van der Schoot breekt een lans voor een historiografische herwaardering van de inhoud en context van Christaan Huygens’ postume publicatie, Kosmotheoros (1698). Vanwege het speculatieve karakter en de theologische retoriek beschouwen de meeste wetenschappers dit werk als een anomalie in Huygens oeuvre. Van der Schoot pleit ervoor Huygens’ Kosmotheoros te bestuderen in relatie tot zijn overige werk. Zo’n integrationistische benadering nuanceert ons beeld van de zeventiende-eeuwse geleerde als een voornamelijk praktisch ingestelde natuurkundige.

Het themadossier in nummer 27.1 van De Zeventiende Eeuw was gewijd aan de humanistische geleerde Petrus Scriverius (1576–1660). In haar bijdrage aan deze Scriverius-special liet Sandra Langereis zien hoe Scriverius met zijn boekhistorisch onderzoek de Costerlegende een wetenschappelijke basis gaf. In het huidige nummer analyseren Michiel Roscam Abbing en Pierre Tuynman een aantal tot dusverre onbekende documenten, waaruit blijkt dat Scriverius een nog veel grotere rol heeft gespeeld in de (iconografische) Costerlegende en -campagne dan tot nu toe is aangenomen.

Hoe en waarom actuele ontwikkelingen in de Nederlandse Opstand urgent werden gemaakt in een Italiaanse context, wordt uiteengezet door Cees Reijner in zijn bijdrage over de Genuese geschiedschrijver Giovanni Costa. In zijn traktaat Ragionamento sopra la triegua de’ Paesi Bassi (1610) gebruikte Costa het Twaalfjarig Bestand om een aantal heikele interne kwesties van de Habsburgse satellietstaat Genua op de politieke agenda te plaatsen. De gekozen dialoogvorm maakte het mogelijk om zaken die eigenlijk onbespreekbaar waren toch voor het voetlicht te brengen.

In de Republiek gebruikte de katholieke medicus en schouwburgregent Pieter Adriaansz Codde juist het vaderlands verleden van vóór de Opstand om het oude (katholieke) patriciaat van Amsterdam in ere te herstellen. Marco Prandoni toont aan hoe Codde in zijn tragedie Herdoopers anslagh op Amsterdam (1641) teruggreep naar het dopersoproer van 1535 om een herinneringscultuur te creëren, die tegelijkertijd de stedelijke en de katholieke identiteit van zijn Amsterdamse geloofsgenoten moest ondersteunen.

Zoals gebruikelijk wordt het eerste nummer van deze nieuwe jaargang afgesloten met recensies en signalementen.