ô Haarlem! voedster van dien grooten letterheld,
Indien gy op uw Markt het beeld van Koster stelt,
Laat dan Scriverius hem met zyn lauwren kroonen:
Zo toont g’uw dankbaarheid aan uw twee grootste zoonen.
  —                Pieter Langendijk1.

De Zeventiende Eeuw 27.1 (2011) bevatte een themadossier over de humanistische geleerde Petrus Scriverius (1576–1660). Een van de artikelen hierin is van de hand van de Leidse historica Sandra Langereis en handelt over Scriverius als boekhistoricus en de Coster-iconografie. Als een belangrijke nieuwe vondst publiceerde zij de brief die de Haarlemse drukker Adriaen Rooman in 1630 aan Scriverius stuurde en die zich in het Familiearchief?Van Hoogstraten bevindt. Langereis vermeldde daarbij dat wij het voornemen hadden over deze brief te publiceren in onze Scriveriana-reeks in Quaerendo.2 In plaats daarvan publiceren wij nu in dit artikel de resultaten van ons onderzoek rond deze brief en andere nog ongebruikte documenten en bronnen over de verdediging van Coster in de zeventiende eeuw. Wij beogen hierin een zo volledig mogelijk overzicht te geven van de initiatieven om Coster in het openbaar te presenteren als de uitvinder van de boekdrukkunst en daarmee de aanspraken van Haarlem te verdedigen tegen hen die die eer aan Mainz toekenden. In de jaren twintig en dertig werd een soort campagne gevoerd waarachter Scriverius en de drukker Rooman de drijvende kracht vormden en waarvan Scriverius’ boekhistorische onderzoek onderdeel was. Waar het Scriverius bij dit alles vooral om te doen was, was het hooghouden van de eer van zijn vaderstad Haarlem.

Inleiding

Dat ene Laurens Janszoon Coster de boekdrukkunst zou hebben uitgevonden, staat het eerst vermeld bij Hadrianus Junius (1511–1575) in zijn geschiedwerk Batavia (Leiden: Franciscus Raphelengius, 1588). Daarmee concretiseerde hij de plaatselijke overlevering die die uitvinding in Haarlem situeerde. Junius beticht de stad Mainz ervan ten onrechte met de eer van de uitvinding te zijn gaan strijken nadat Costers knecht het complete instrumentarium voor het drukken van een tekst met losse metalen letters had gestolen en er in Mainz mee was begonnen te drukken. Een reactie op deze aantijging kon niet uitblijven. De jezuïet Nicolaus Serarius (1555–1609) verdedigde in 1604 zijn stad en wees uiteraard Gutenberg als uitvinder aan.3 Serarius kende Junius’ beschuldiging aan het adres van Mainz uit een publicatie van de Leidse hoogleraar Petrus Bertius (1565–1629) en had daarna zelf een exemplaar van Junius bemachtigd, waaruit hij de desbetreffende passage ook uitvoerig citeert.4 Het is vooral tegen Serarius geweest dat Petrus Scriverius in 1628 zijn Laure-crans voor Laurens Coster van Haerlem, eerste vinder vande boeck-druckery publiceerde.5 Deze verhandeling was met eigen titelblad en paginering toegevoegd aan de Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland van de contraremonstrantse Haarlemse predikant Samuel Ampzing (1590–1632). Scriverius had al in 1615 publiekelijk aangekondigd om de aanspraken van Haarlem op de uitvinding te gaan bewijzen, maar was daar nog niet toe gekomen.6

Hoewel Junius alleen aangeeft dat Coster ‘128 jaar geleden’ op de Markt in Haarlem woonde (Laure-crans, p. 19) en nergens diens uitvinding dateert, heeft Scriverius daar al in zijn koppermaandagvers uit 1612 het jaar 1440 voor aangehouden. Later, direct in het begin van zijn Laure-crans, heeft hij dit genuanceerd tot ‘ontrent ‘tjaer 1440’.7 Op p. 31 vermeldt hij vervolgens tot een nieuw inzicht te zijn gekomen, dat hij echter pas tegen het eind van hoofdstuk 21 op p. 96 meedeelt: hij had zich namelijk gerealiseerd dat, tussen Costers eerste idee (volgens Junius’ verhaal in de Haarlemmerhout) en de diefstal in 1441 een periode van tien of twaalf jaren experimenteren en technische ontwikkelingen in Haarlem moest gelegen hebben. Daarvan had Scriverius de sporen menen te vinden in ongedateerde blokboeken en een eerste, eveneens ongedateerde, technisch nog zeer onvolkomen boekdruk. Dat deze in Haarlem vervaardigd waren, en wel door de legendarische Laurens Janszoon Coster, ruim vóór er sprake was van in Mainz gedrukte boeken, berustte op toen oncontroleerbare (en dus evenmin te ontkrachten) getuigenissen en overleveringen.8 Na een uitvoerig onderzoek zoals niemand ooit tevoren had ondernomen en waarin hij te werk ging als een ware boekhistoricus avant la lettre, was Scriverius uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat het principe van de boekdrukkunst Coster door God was ingegeven in 1428. Door Gods hand te zien in de omstandigheden die Coster in de Haarlemmerhout inspireerden en door Junius’ verhaal als historisch verantwoorde bron te handhaven, toonde Scriverius zich een kind van zijn tijd. Door anderzijds Junius’ datering te corrigeren op grond van vooral eigen kritisch onderzoek van materiële getuigen, en door gedetailleerd te verantwoorden hoe hij tot zijn conclusie gekomen was, gaf hij een toonbeeld van moderne wetenschapsbeoefening dat door niemand in zijn tijd verbeterd kon worden. Dit feit is ten onrechte overschaduwd geraakt doordat alle door Scriverius aangevoerde getuigenissen en zijn eigen bevindingen later geen enkele bewijskracht bleken te hebben voor de Haarlemse aanspraken. Toch duurde het tot 1870 voor Antonius van der Linde (1833–1897) definitief een einde kon maken aan de discussie, ten gunste van Mainz en Gutenberg.9 Dit artikel concentreert zich op de publieke presentatie van Coster die Scriverius’ wetenschappelijke verdediging van Haarlem inleidde en begeleidde.

Het begin: een gevelopschrift

In de Laure-crans, met een lange, op 1 januari 1628 gedateerde ‘Voor-reden’ tot de magistraat van Haarlem, reageert Scriverius op Serarius, die in zijn geschiedenis van Mainz vermeldt dat in het begin van de zestiende eeuw Ivo Witigisis een inscriptie op een steen liet plaatsen ter ere van Gutenberg, die als eerste ‘letters uitvond om te drukken’ en zich hierdoor voor de hele wereld verdienstelijk maakte.10 Deze nu niet meer bestaande steen is het vroegst bekende gedenkteken voor Gutenberg.11

In Haarlem begint de Coster-campagne met een soortgelijke daad. Op een bepaald moment is op het huis aan de Grote Markt in Haarlem, waar Coster volgens overlevering gewoond had, een plechtig opschrift aangebracht in vergulde letters: MEMORIAE SACRUM. TYPOGRAPHIA, ARS ARTIUM OMNIUM CONSERVATRIX, HIC PRIMUM INVENTA, CIRCA ANNUM MCCCCXL (Ter herinnering. De drukkunst, de kunst die de bewaarster is van alle wetenschappen, (is) hier voor het eerst uitgevonden omstreeks het jaar 1440). Vanzelfsprekend was dit in het Latijn gesteld, zodat buitenlandse geletterden die de stad bezochten het Haarlemse standpunt konden vernemen. Na de eerste vermeldingen van de inscriptie bij Ampzing en Scriverius in 1628, deelt Marcus Zuerius Boxhorn (1612–1653) in zijn beschrijving van Haarlem uit 1632 expliciet mee dat het de stadsregering van Haarlem was die de hier geciteerde tekst had laten aanbrengen.12 Er is echter geen enkele aanwijzing dat het initiatief hiertoe uit de stadsregering zelf was gekomen. Als dat wel het geval was geweest, had Scriverius in zijn ‘Voor-reden’ tot de magistraat daarover niet kunnen zwijgen. Ook in zijn latere ontwerp-brief aan de Heren (van Haarlem) presenteert hij zichzelf als de initiator van de gehele Coster-campagne.13 Het idee voor het opschrift op de gevel en de tekst ervan zullen dan ook van niemand anders stammen dan van Scriverius, de enige die in deze jaren de zaak van Haarlem als wieg van de boekdrukkunst tot de zijne gemaakt had. De datering ‘circa 1440’ en niet meer het jaar ‘1440’ zelf dat Scriverius in 1612 nog aanhield, wijst er inderdaad op dat hij de tekst opstelde. Tegelijkertijd wijst dit er op dat dit eerste initiatief dateert van vóór het moment dat hij op ‘tien à twaalf jaar vóór 1440’ uitkwam Dit wordt bevestigd door de Duitse reiziger Gotfridus Hegenitius, die Haarlem in 1626 of 1627 bezocht, en al melding maakt van het gevelopschrift.14 Als Scriverius op de allerlaatste bladzijde van de Laure-crans, p. 124, na het beëindigen van zijn onderzoeksverslag in september 1628, de inscriptie op het Coster-huis als bladvulling vermeldt, verandert hij ‘circa annum MCCCCXL’ in ‘MCCCCXXIIX’, 1428, het jaartal waar hij ten slotte op uitkwam als de geboortedatum van de boekdrukkunst.15 Maar voordien waren er al meer uitingen van propaganda voor Coster op de gevel van het huis aangebracht.

Scriverius plaatst Costers portret op het Coster-huis

In het voorwerk van de Laure-crans is het door Jan van de Velde gegraveerde portret van Coster opgenomen, met als opschrift: ‘Laurentius Costerus Harlemensis Primus Artis Typographicae Inventor circa Annum 1440’ (Laurens Coster van Haarlem, eerste uitvinder van de boekdrukkunst omstreeks het jaar 1440) (afb. 1).16 Het is zeer onwaarschijnlijk dat de ongedateerde gravure niet in opdracht van Scriverius zelf ten behoeve van de Laure-crans zou zijn vervaardigd.17 Onder het portret, waarvan een los exemplaar berust in het Familiearchief Van Hoogstraten, staat een ondertekend Latijns epigram van Scriverius gegraveerd (hierna aangeduid als het Vana-epigram). Het onderstreept dat Scriverius Costers eerste idee in de Haarlemmerhout (om afdrukken te maken van letters) beschouwde als de eigenlijke ‘uitvinding’, als ‘d’eerste Vond’ (Laure-crans, p. 119), die hij voor Haarlem opeiste:

Vana quid archetypos et praela MOGUNTIA jactas?
HARLEMI archetypos praelaque nata scias.
Extulit hic, monstrante Deo, LAURENTIUS artem.
Dissimulare virum hunc, dissimulare Deum est.18
(Wat beroemt ge u, pronkerig Mainz, op de eerste drukletters en persen?
Weet dat de eerste drukletters en de persen in Haarlem geboren zijn.
Hier heeft Laurens de (druk)kunst op aanwijzing van God tevoorschijn gebracht.
Doen of men deze man niet kent, is doen of men God niet kent.)

Tot dusver werd, ook door Langereis, het door Van de Velde gegraveerde portret van de uitvinder, naar een ‘ontwerp’ – zoals zij het in navolging van Becker en Ouwerkerk noemt – van Jacob van Campen (1595–1657), beschouwd als het begin van de ‘eeuwenlange beeldencultus’ rond Coster. Op de gravure staat echter ‘J.V. Campen pinxit’, dat wil zeggen dat Van de Velde Coster afbeeldde naar een schilderij van Van Campen en dus niet naar slechts een ‘ontwerp’.18 Het eerste Coster-portret was dus dit nu niet meer bestaande schilderij. Wanneer Langereis vervolgens Ampzings beschrijving van het Coster-huis ter sprake brengt, die meldt dat er behalve het reeds geciteerde stadsopschrift op de gevel ook een afbeelding van een drukpers en een portret van zijn uitvinder te zien zijn, oppert zij dat dat wellicht ‘reproducties’ waren van illustraties in de Laure-crans. Wat het Coster-portret betreft, is dat zeker niet het geval. Niet alleen was Ampzings vermelding van het Coster-portret op de gevel al gedrukt vóór de Laure-crans op de pers kwam,19 Costers afbeelding op de gevel was ook al opgemerkt door Hegenitius die, zoals gezegd, Haarlem bezocht in 1626 of 1627.20 Hij schrijft dat onder Costers portret een opschrift in vergulde letters is aangebracht en citeert het officiële opschrift,21 met aansluitend het Vana-epigram, ondertekend met ‘P.S.’. Op grond hiervan kan vermoed worden dat dit epigram toen eveneens op de gevel te lezen was.22 Latere bronnen berichten inderdaad dat ook het Vana-epigram op de gevel was aangebracht.23

Naast Hegenitius’ en Ampzings beschrijvingen van het Coster-huis beschikken we over een visuele bron die, voor zover ons bekend, daar niet eerder mee in verband is gebracht. In het album amicorum van Scriverius bevindt zich een schetsmatige tekening van het huis als onderdeel van een gezicht op de Grote Markt.24 Deze tekening van de hand van Pieter Saenredam (1597–1665) is 1629 gedateerd (afb. 2). Saenredam, die hieronder nog ter sprake komt, was goed op de hoogte van Scriverius’ verdediging van Coster: hij had namelijk twee tekeningen van Costers drukkerij gemaakt, die Van de Velde graveerde voor de uitgaven van Ampzing en Scriverius in 1628. Het zal daarom geen toeval zijn dat hij het Coster-huis precies in het midden van de voorstelling tekende. Tussen het bovenste en de onderste twee ramen is een liggende rechthoek of bijna vierkant aangegeven met daarbinnen horizontale lijnen. Dit kan worden geïnterpreteerd als een gevelbord met de regels van een tekst en zal het opschrift zijn dat op stadskosten onder Costers portret in vergulde letters was aangebracht. Verder is op de plaats van het bovenste raam een langwerpig en van boven afgerond ‘staand gevelbord’ te zien met iets boven het midden een horizontale scheidslijn. In het bovenste deel is de buste van een man met hoofddeksel te herkennen. Het onderste deel zou een tekst of een tweede afbeelding kunnen zijn. Op de gravure van Van de Velde is Scriverius’ Vana-epigram verbonden met de buste van Coster en het is goed denkbaar dat dat ook op de gevel zo was, al zal het onderschrift dan vanaf de grond amper te lezen zijn geweest. Dat Ampzing in zijn beschrijving het Vana-epigram niet afzonderlijk noemt,25 kan in dat geval verklaard worden: het vormde één geheel met het portret. Een tweede mogelijkheid is dat onder het portret de niet door Hegenitius, maar wel door Ampzing genoemde ‘Druck-Perze’ was afgebeeld.26 Scriverius’ Vana-epigram uit de Laure-crans kan dan lager (en dus leesbaarder voor de toeschouwer) direct onder de op stadskosten aangebrachte herdenkingstekst hebben gestaan, zoals weergegeven in Hegenitius en latere bronnen.

Op de tekening in Scriverius’ album zijn niet alle uitingen van Coster-propaganda op het huis met zekerheid te identificeren, maar evenals bij het officiële opschrift is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat niet Scriverius zelf, maar een onbekende het initiatief genomen zou hebben om op de gevel van het Costerhuis in het openbaar te verkondigen wat Scriverius vervolgens in 1628 in zijn Laure-crans wetenschappelijk onderbouwde. De samenhang tussen die publicatie en het optuigen van het Coster-huis ter herinnering aan de Haarlemse uitvinding, kennelijk met instemming van de eigenaar-bewoner, is immers overduidelijk. De veronderstelling ligt nu bovendien voor de hand dat het Coster-portret in de vensternis van de zolder, dat uiteraard op paneel geschilderd was, geen ander was dan het verdwenen Coster-schilderij van Van Campen, het voorbeeld voor Van de Veldes gravure in de Laure-crans.27 De gedachte dat het ook Scriverius zelf zal zijn geweest die de opdracht aan Van Campen gaf,28 is in overeenstemming met wat Gabriel Naudé (1600–1653) in 1630 schreef. Deze Franse bibliothecaris, die dat jaar de aanval op Scriverius opent, deelt mee dat hij ‘gelooft dat Scriverius het portret van Coster heeft laten schilderen op de buitengevel van het huis waar deze vroeger woonde’.29

Het laten maken van een fictief portret van een historisch belangrijke figuur – wat Coster voor Scriverius was – past bovendien naadloos bij opvattingen en praktijk van Scriverius als geschiedschrijver. Met zulke portretten was hij overigens niet de eerste. Zo was in een Frans boek over beroemde mannen, uit 1584, bijvoorbeeld al een gefingeerd portret van Costers Mainzer rivaal Gutenberg gepubliceerd.30 Ook van de legendarische Coster heeft uiteraard nooit een echt portret bestaan.31 Over het Costerportret in de Laure-crans heeft Langereis in een sluitend betoog Scriverius’ motieven en zijn streven naar een ‘zo groot mogelijke authenticiteit’ in zulke portretten overtuigend uiteengezet.32 Zij gaat echter voorbij aan de aantrekkelijke en al eerder geopperde veronderstelling dat Van Campen voor het fictieve portret een oude Haarlemse druk als voorbeeld gebruikte. Het gaat om Haarlems vroegst gedateerde drukwerk, waarvan we weten dat Scriverius het kende. In Jacobus de Theramo’s Der sondaren troost, gedrukt door Jacob Bellaert in 1484 over een ‘stichtelick Proces’ van de duivel Belial tegen Mozes,33 komt als illustratie een houtsnede voor waarop een man staat die een bonnet en tabbaard draagt en die een opmerkelijke gelijkenis vertoont met Van Campens Coster (afb. 3).34 Daarnaast noemt Scriverius in de Laure-crans de ‘konst-rijcke schilder J. V. Campen’ de bezitter van een exemplaar van de al door Junius aan Coster toegeschreven Spieghel onser behoudenisse, een ongedateerd drukwerkje uit de vijftiende eeuw.35 Dit boek behoort tot de vroegste Nederlandse drukken met losse letters, maar is volgens moderne opvattingen niet ouder dan omstreeks 1474.36 Dat Van Campen zelf een oude, toen aan Coster toegeschreven druk bezat, past geheel in het beeld dat door beiden, Scriverius en Van Campen, in vijftiende-eeuwse drukken naar een geschikt voorbeeld is gezocht om een in elk geval qua kleding historisch verantwoord portret te kunnen vervaardigen.

Scriverius voltooit de Laure-crans en ontvangt geen beloning

De titelpagina van Ampzings boek, Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland […] mitsgaders Petri Scriverii Laure-kranz voor Laurens Koster van Haerlem, geeft aan dat het de bedoeling was om beide werken gebundeld op de markt te brengen. En zo geschiedde. Wel hebben ze elk een eigen paginering en richten ze zich afzonderlijk tot het Haarlemse stadsbestuur.37 Hoewel Scriverius op dat moment zijn betoog nog niet had afgerond, heeft de Haarlemse ‘ordinaris stads-boeckdrucker’ Adriaen Rooman rond eind augustus 1628 het boek al wel in eerste instantie afgesloten. Die provisorische editie bestond uit Ampzings Beschryvinge en 21 hoofdstukken Laure-crans op 100 bladzijden. Bladzijde 100 (voor een in quarto-boek is dat ook het einde van een katern) eindigt met het woord ‘FINIS’, met op de bladzijde ertegenover een van beide al genoemde gravures van Costers drukkerij door Jan van de Velde naar een ontwerp van Saenredam.38 Later werd het voor Scriverius’ betoog essentiële laatste hoofdstuk hieraan toegevoegd: ‘Vande Spieghel onser Behoudenisse, ghedruckt tot Haerlem’, waarop een aantal gedichten volgt, het eerste op p. 119, gedateerd 18 september 1628. Vrijwel alle bekende exemplaren van de Laure-crans eindigen op p. 124 met ‘FINIS’, terwijl p. 100 in die exemplaren geen ‘FINIS’ of custode meer heeft, en de gravure geheel ontbreekt.39

In 2008 heeft Adriaan Plak, conservator aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, een aantrekkelijke hypothese geformuleerd over het waarom van beide varianten. Het boek van Ampzing, in convoluut met dat van Scriverius, zou aan de zittende burgemeesters worden aangeboden en was al gedrukt. Op p. 390 had Ampzing de vier toen zittende burgemeesters met hun naam vermeld, maar Scriverius moest zijn Laure-crans nog afronden, terwijl die eigenlijk vóór de eerstvolgende burgemeestersverkiezing klaar had moeten zijn.40 Die verkiezing werd elk jaar op 7 september gehouden en blijkens de datum van 18 september op p. 119 was hoofdstuk 22 daarvoor inderdaad niet op tijd gereed.

Nog in hetzelfde jaar 2008 is een exemplaar geveild dat Plaks hypothese bevestigt. Het bevat vooraan een handgeschreven opdracht van Ampzing aan de Haarlemse pensionaris Gilles de Glarges (1559–1641) en de bijgebonden Laure-crans telt 100 bladzijden.41 Het betreft ongetwijfeld een van de door Ampzing aan de stadsregering aangeboden exemplaren. In de thesauriersrekening van Haarlem voor het jaar 1628 is opgetekend dat Ampzing een beloning van 300 pond ontvangt ‘voor vijftich Exemplaria, met oock de printen […] Bij hem [Ampzing] vereert ende gepresenteert aen Heeren Burgemeesteren, Schepenen, Raden ende Vroetschappen der selver Stadt’. Bovendien ontvangt hij nog eens vierhonderd pond ‘in recompense vande Extraordinaris moeijten bij hem [Ampzing] gehadt, oncosten, ende diensten bij hem gedaen Int maecken van seker boeck geintituleert Beschrijvinge ende Loff der Stad Haerlem In Holland dese stad gedediceert ende specialyck toegeijgent […]’.42 Deze tweede betaling is zelfs de hoogst bekende beloning voor een dedicatie in Haarlem.43

Hoewel Scriverius zich in de Laure-crans eveneens tot het Haarlemse stadsbestuur had gericht, komt hij niet voor in de thesauriersrekening over 1628.44 Auteurs van boeken die werden opgedragen aan een stad of stadsregering, konden normaal gesproken rekenen op een passende beloning.45 Scriverius wenste waarschijnlijk niet voor zijn werk beloond te worden en zeker niet in geld. Als geleerde die beschikte over voldoende eigen middelen had hij zich tot doel gesteld de publieke zaak te dienen, geen openbare functie te vervullen en totaal onafhankelijk te blijven van wie dan ook. Sterker nog: hij initieerde en bekostigde waarschijnlijk zelf de propaganda die hij voor Haarlem en Coster nodig achtte.

Hoezeer hij zich wenste in te zetten voor de publieke zaak, daarover liet Scriverius, precies in deze tijd, geen enkel misverstand bestaan. Jan van de Velde, dezelfde graveur die Costers portret had vervaardigd ten behoeve van de Laure-crans, graveerde Scriverius’ portret naar het schilderij dat Frans Hals in 1626 had gemaakt. Daaronder liet Scriverius een Latijns achtregelig gedicht plaatsen dat zijn programma weergeeft.46 In Ampzings Beschryvinge wordt het ‘vers van de pers’ afgedrukt, met een vertaling van Ampzing zelf:

Hier siet gy eenen man, die al syn tijd van jaeren
Den opentliken dienst heeft willens laten varen,
En op syn eyge kost de konsten hoog geeerd,
En altyd voordgeset, en heuren lof vermeerd.
En woond so op sich selfs, en wil sich niet verkopen,
En houd al synen dienst voor sijne burgers open:
Terwijl hy menig feyl en ouden droom verkragt,
En ’t lof der Bataviers heel yverig betracht.
Laet and’ren dier gekocht met giften, ende gaven,
Meer snorken als ’t betaemd, en al te moedig draven.
Dees Schrijvers vrije hand, aen niemands loon verplicht,
Brengt met een trouwe pen de waerheyd in het licht.48

Het is Scriverius zelf geweest – zoals we nog zullen zien – die het Latijnse epigram in de derde persoon op zijn eigen portret dichtte.47 De publieke zaak dienen, ‘aan niemands loon verplicht’ zijn, de waarheid aan het licht brengen en de lof zingen van de Batavieren. Ook zijn boek-historisch onderzoek en de propaganda voor Coster pasten in dit streven.

Wel had hij, zoals hij in het slothoofdstuk van de Laure-crans op p. 108 verklaart, oorspronkelijk een breder kader voor ogen en wilde hij ‘de Boeck-druckerije in’t generael beschrijven; ende niet specialick voorghenomen en hadde, ter eeren van mijn lieve Vader-Stad Haerlem, dit mijne kleyn Boecxken’. Hij was van dat plan afgeweken, ‘daer toe ernstelick versocht ende aengheport sijnde’. Dat verzoek moet vooral gekomen zijn van Ampzing, met het oog op de vermeerderde uitgave van zijn ‘lof van Haarlem’ die werd voorbereid en door Rooman werd uitgebracht. Tot en met begin oktober 1627 wordt in Scriverius’ correspondentie nog alleen gerefereerd aan zijn vroegere voornemen een geschiedenis van Haarlem te schrijven en is er nergens sprake van een Coster-project.48 Daarna vertrekt Scriverius (uit Amsterdam) naar Haarlem en pas toen zal het plan gerezen zijn om een alleen op Coster toegesneden, bescheidener verhandeling te schrijven en die samen met Ampzings in 1628 te verschijnen boek te publiceren.49 Ongetwijfeld zal ook de drukker-uitgever Rooman hebben aangedrongen op een gecombineerde uitgave. Dat betekende haastwerk, zodat Scriverius niet de hulp van geleerde vrienden kon inroepen, terwijl hij, door zijn verblijf in Haarlem, ook de benodigde boeken niet allemaal bij de hand had,50 twee voorwaarden om een ‘rasche Pers’ met een ‘haestighe penne’ te kunnen bijhouden.51 Begin september 1628 had Scriverius de Laure-crans dus nog niet af en bovendien kon hij ‘willens en wetens’ vele onderwerpen uit zijn voorstudiën nu niet behandelen. Daartoe behoorden de mogelijke andere – en meer realistische – waarnemingen dan de legendarische in de Haarlemmerhout, die Coster mede ‘tot de Konst verweckt moghten hebben’, waarvan hij er een op p. 108 met name noemt.

Voor een internationaal publiek overwoog Scriverius eind 1628 een Latijnse bewerking van de Laure-crans, zoals blijkt uit een brief van 15 december 1628 aan zijn trouwe vriend Arnoldus Buchelius (1565–1641) en eerder al uit een gedichtje in het voorwerk van de Laure-crans, dat ook staat afgedrukt in zijn Gedichten (n. 1), tweede paginering, p. 98. Scriverius laat de brief aan Buchelius vergezeld gaan van een exemplaar van de Laure-crans. Hij had dit geschriftje over de boekdrukkunst, zo schrijft hij, zeer onlangs in de volkstaal geschreven op verzoek van burgers [van Haarlem] en van sommige vrienden. Het werkje zou verbeterd kunnen worden na inspectie van oude drukken, bewaard in Utrecht, de woonplaats van Buchelius. Hij had dat nog niet kunnen doen omdat hij het te druk had, maar hij wil nu spoedig komen en aantekeningen maken. Verder vraagt hij Buchelius’ mening over het meegestuurde geschrift en diens hulp met het oog op een voorgenomen Latijnse uitgave ervan.52 De brief maakt duidelijk dat voor Scriverius eind 1628 het onderzoek nog niet was afgesloten.

Roomans houten standbeeld van Coster en Saenredams ets

Hierboven bleek al dat de Coster-iconografie niet begon met Van de Veldes portret-gravure in de Laure-crans, maar met het geschilderde portret op de gevel van het Coster-huis. Een brief die wij bij de inventarisatie van het Familiearchief Van Hoogstraten onder de Scriveriana aantroffen, helpt een ander langdurig misverstand uit de wereld. Het betreft de brief van 23 april 1630 van Adriaen Rooman aan Scriverius, die al door Langereis in dit tijdschrift is gepubliceerd. Hij maakt niet alleen duidelijk dat er, anders dan lang gedacht, wel degelijk in de jaren 30 van de zeventiende eeuw een beeld van Coster op de Grote Markt in Haarlem heeft gestaan, maar tevens dat Scriverius ook bij dit project betrokken was.53 Rooman, die in 1628 Ampzings boek en de Laure-crans had gedrukt, gaat op 1 mei naar de westkant van de Markt verhuizen, niet ver van het stadhuis, dat wil zeggen aan de andere kant dan waar het Coster-huis stond.54 Hij heeft een levensgroot beeld van Coster in hout laten maken dat voor zijn huis ‘op een stock sal staen’, dat wil zeggen op een blok of sokkel,55 en verzoekt Scriverius om een Latijns opschrift met onder andere het jaar van Costers uitvinding en dat van de plaatsing van het beeld. Zoals hij het beeld beschrijft, is het met de ‘Tafel’ die Coster vasthoudt, maar zonder voetstuk, afgebeeld op de ets die Pieter Saenredam ervan vervaardigde (afb. 4).56 Het opschrift op het bord luidt: M[emoriae] S[acrum]. / Viro consulari, / Laurentio Costero, / Harlemensi, / Alteri Cadmo et artis / Typographicae circa / Annum Domini M.CCCC.XXX. / Inventori primo, / bene de Literis ac / toto Orbe merenti, / hanc q[ua]l[em]c[um]q[ue] / Sta- / tuam, quia aeream non / habuit, pro monumen- / to posuit Civis gratiss[imus] / Adrianus Romanus, / Typographus. / A[nn]o M.DC.XXX. (Ter herinnering. Voor Laurens Coster, van burgemeesterlijke stand, Haarlemmer, een tweede Cadmus en de eerste uitvinder van de boekdrukkunst omstreeks het jaar onzes Heren 1430, weldoener van de letteren en van de hele wereld, heeft de zeer dankbare burger, drukker Adriaen Rooman, in het jaar 1630 dit standbeeld, hoe [i.c. bescheiden] ook, omdat hij geen bronzen had, als gedenkteken opgericht).57

De vermelding van deze tekst in Boxhorns Theatrum (1632) bewijst dat Roomans beeld inderdaad op op de Grote Markt te zien is geweest zoals Saenredam het etste: met een bord met opschrift. Alleen liet Boxhorn (op p. 137) de naam van de oprichter en het jaar van plaatsing weg. Dat Scriverius de auteur is van het opschrift, is niet alleen duidelijk omdat de gegevens erin overeenstemmen met de Laure-crans, maar vooral ook omdat het geheel beantwoordt aan wat Rooman hem in zijn brief van 1630 had gevraagd. Door zijn onderzoek was Scriverius uiteindelijk op 1428 gekomen als het jaar van Costers ‘vinding’ en zo markeerde de Laure-crans van 1628 precies een 200-jarige herdenking. In 1630 koos hij voor het opschrift bij Roomans beeld ‘circa 1430’, dat wil zeggen ‘ongeveer 200 jaar geleden’. Een verder argument voor Scriverius als auteur is het feit dat men het beeldopschrift kan zien als een soort antwoord op de steen met inscriptie die in 1508 in Mainz geplaatst was ter ere van Gutenberg met eveneens de min of meer standaard-formule ‘de orbe toto bene merenti’, die Scriverius uit het boek van Serarius in de Laure-crans citeert.58

Saenredams ets toont Coster exact als de Coster-buste op Van de Veldes gravure, met de letter A in zijn linkerhand en al, maar nu staande en met zijn mantel doorgetrokken tot op de voeten, zij het niet als beeld en dus evenmin op een voetstuk. Hij staat ook niet voor een drukkerij, maar buiten de stad met op de achtergrond de Sint-Bavo. Op deze wijze vestigt de ets de aandacht op de overlevering zoals die door Junius en Scriverius is opgetekend. Rechts is namelijk nog net de Haarlemmerhout te zien, het bos waarin Coster volgens de legende begon ‘lettervormen uit beukenschors te snijden waarmee hij, door ze omgekeerd als zegels op papier te drukken, voor de aardigheid een of twee (vers)regels vormde’ voor de kinderen van zijn dochter.59 Het is volgens ons vooral vanwege de achtergrond op Saenredams ets, dat het opschrift op de ‘tafel’ die Coster vasthoudt in overdrachtelijke zin werd opgevat en dat men sinds 1851 ten onrechte sprak van een ‘papieren standbeeld’.60

Door Saenredams ets werd Boxhorns mededeling over een echt beeld op de Grote Markt aldus met het nodige ongeloof onthaald. Bovendien rijst de vraag of die ets was wat Rooman in zijn brief aan Scriverius bedoelde. Daarin schreef hij dat hij van plan was zijn beeld ‘oock te laten snijden ende soude het achter de Saturnalia drucken’, die hij graag ‘het eerste werck als ick verhuijst ben’ wil laten zijn, dus na 1 mei 1630. Of ‘mijn heer daer wilde een Carmen by maken soude mijn seer aengenaem zijn’. Maar een nieuw gedicht van Scriverius staat niet op Saenredams ets, wel zijn Vana-epigram dat wij al kennen van Van de Veldes Coster-gravure met Scriverius’ eigen Nederlandse versie ervan daarnaast, beide ook opgenomen in de Laure-crans.61 Over zijn vertaling van Scriverius’ Saturnalia laat Samuel Ampzing op 16 oktober 1630 aan Scriverius weten, op verzoek van Rooman, dat deze nu eindelijk zal beginnen met het drukken ervan.62 De Latijnse editie van deze reeks satirische epigrammen tegen de nieuwe ondeugd van het pijproken was twee jaar eerder in Haarlem gedrukt, overigens niet door Rooman, maar door Herman Theunisz Kranepoel en niet door toedoen van Scriverius zelf. Nu bracht Rooman de vertaling op de markt onder de titel Saturnalia, ofte poetisch vasten-avond-spel, vervatende het gebruyk ende misbruyk van den taback, nog op 1630 gedateerd, met Scriverius’ Latijnse tabaksepigrammen er mede in opgenomen. Enigerlei afbeelding van Coster of van Roomans beeld ontbreekt en in plaats van een nieuw ‘Carmen’ van Scriverius drukte Rooman op p. 48, direct onder zijn drukkersmerk, het Vana-epigram dat ook op Saenredams ets staat.63

Dit betekent echter niet dat Rooman van zijn kant heeft afgezien van zijn plan om, zoals hij Scriverius schreef, zijn Coster-beeld ‘oock te laten snijden’ en in een door hem uit te geven boek af te drukken. De gedachte lijkt nu voor de hand te liggen dat het eerste deel van dat plan gerealiseerd is in Saenredams ets. Langereis identificeert die dan ook zonder meer op p. 70 met ‘de ets die door Rooman in zijn brief aan Scriverius was aangekondigd’. Tevens neemt zij aan dat die ‘in 1630 […] inderdaad’ door Rooman gedrukt was, zij het niet in een boek. Bovendien is de datering van de ets op 1630 kennelijk ontleend aan het jaartal van de plaatsing van het beeld, vermeld in het opschrift. Het jaar 1630 is daarmee in feite een terminus a quo en zegt niets over de datum waarop de ets gereed was. De vermelding erop dat A. Romanus hem gedrukt heeft (excudit), geeft aan dat hij ongetwijfeld bedoeld was voor de losse verkoop als plano, niet voor opname in een gedrukt boek.

Hoe Rooman zijn beeld werkelijk heeft ‘laten snijden’ voor opname in een boek, blijkt uit een uitgaafje van ná de Saturnalia: niet als ets, maar als houtsnede. In het door hem uitgegeven traktaatje van Quintyn Weytsen staan op de laatste bladzijde Roomans drukkersmerk en adres (‘aen’t Sand by het Stadhuys, inde Vergulde Parsze’) en het jaar van drukken (‘1631’). De voorafgaande bladzijde bevat een houtsnede die Saenredams voorstelling geheel volgt (afb. 5).64 Het bestaan van deze houtgravure laat Langereis buiten beschouwing. Zij merkt wel op (p. 71) dat Rooman in 1634 opnieuw is verhuisd, nu naar de Grote Houtstraat, en dat het houten standbeeld dus slechts enkele jaren op de Grote Markt zal hebben gestaan, zoals hij in 1630 aan Scriverius schreef, ‘voor’ en niet ‘op’ zijn gevel, zoals zij (p. 76) zegt. In dat jaar, 1634, neemt Adriaen Rooman in Haarlem de houtsnede nogmaals op in Jan Reygersberghs De oude chronijcke ende historien van Zeelandt, p. 160, dat bij Zacharias Roman in Middelburg te koop was. Ook daarna vindt men de houtsnede nog enkele malen terug in drukken van de Roomans, zowel in Haarlem als in Middelburg, onder meer in uitgaven van Hogerbeets en Hugo de Groot.65 Achter in het boek van Grotius van 1641, op de recto-zijde van het blad met de houtsnede, drukte Rooman onder zijn drukkersmerk een ander epigram van Scriverius dan in Ampzings vertaling van de Saturnalia.66 Achttiende-eeuwse afdrukken van Roomans dan inmiddels versleten houtgravure tonen overigens niet het oorspronkelijke opschrift op de ‘tafel’ van het beeld, maar de tekst op de gevel van Costers huis met Scriverius’ verandering achter in de Laure-crans, dus met 1428 als het jaar van de uitvinding. Een afdruk uit 1744 heeft daaronder nog de toevoeging ‘per vulg. MCCCC XL’, dat is ‘pervulgata [nl. Typographia] 1440’, dat wil zeggen: overal verbreid in 1440.67

Met het houten beeld en de weergave ervan in ets en houtsnede, kon stadsdrukker Rooman zich presenteren als opvolger van zijn legendarische stadgenoot en voorganger. Wat zou met het beeld gebeurd kunnen zijn?68 In 1642 werd Rooman als stadsdrukker opgevolgd door Vincent Casteleyn (ca. 1585–1658).69 Diens jongste zoon Abraham (1628–1681), eveneens stadsdrukker, liet zich in 1663 met zijn echtgenote portretteren door Jan de Bray.70 Op dit in het Rijksmuseum te Amsterdam bewaarde dubbelportret is op de achtergrond, direct achter Casteleyn, een borstbeeld van Coster te zien om de toeschouwer duidelijk te maken in welke traditie de drukker geplaatst moet worden (afb. 6). De grootte van dit borstbeeld, de met de ets van Saenredam overeenstemmende kop, en ook het gegeven dat Abrahams oudere broer Pieter Casteleyn (ca. 1618–1676) na Rooman de Saenredam-ets uitgaf,71 suggereren dat op het dubbelportret het bovenste deel van Roomans beeld is weergegeven. Na een periode buiten te hebben gestaan kan het, ingekort tot buste, nog lange tijd tot het interieur van de Haarlemse stadsdrukkers hebben behoord. Het houten beeld is echter wel de basis geworden van de Haarlemse beeldtraditie van Coster die in de zeventiende eeuw al sterker was dan tot nu toe werd aangenomen (zie bijlage 1).

Scriverius aangevallen door Naudé en aangemoedigd door Hugo de Groot en Boxhorn

Het Haarlemse offensief met Scriverius als grote initiator is niet zonder reactie gebleven. Op 26 april 1630 schrijft Hugo de Groot (1583–1645), die dan als voortvluchtige veroordeelde gevangene in Parijs woont, aan zijn broer Willem in Den Haag dat hij een boek van de Fransman Gabriel Naudé onder ogen heeft gehad, die Scriverius’ bewijsvoering omtrent de Haarlemse vinding afwijst.72 Grotius verwijst hiermee naar Additions à l’histoire de Louis XI (Parijs 1630), waarin Naudé zich zeer spottend uitlaat over de Haarlemse aanspraken en Scriverius beschuldigt van leugens.73 Op 11 juli 1630 stuurt Grotius Naudé’s boek met een volgende brief aan zijn broer en sluit ook nog een aan Scriverius gerichte brief in, gedateerd op 2 juni, met de aansporing de eer van het vaderland ook tegen Naudé hoog te houden.74 Op 3 augustus stuurt Willem het boek en de brief van zijn broer vanuit Den Haag naar Scriverius in Leiden samen met een eigen brief. Willems brief is een van de tot dusver onbekende bronnen in het Familiearchief Van Hoogstraten.75 In de aanhef ervan grijpt hij terug op de formulering van wat Hugo hem op 11 juli had geschreven:

Misit nuper, Vir Maxime, frater has ad te cum libro litteras, in quibus proculdubio tuas, patriae nostrae nomine quae Gallorum cum Germanis conspiratione tantum non opprimitur, postulat vindicias, in civitati Harlemensi suum decus, primam scilicet typographiae inventionem, asseras, novisque adversariorum argumentis satisfacias.76

Onlangs, voortreffelijk man, heeft mijn broer (me) deze brief aan u samen met een boek toegezonden. Hij verzoekt u hierin onverbloemd om in naam van ons vaderland, dat bijna door een samenzwering van Fransen en Duitsers overweldigd wordt, uw aanspraken op de aan de Haarlemse stadsgemeenschap toekomende roem, namelijk het voor het eerst uitvinden van de boekdrukkunst, staande te houden en de nieuwe argumenten van de tegenstanders te pareren.

Op zijn beurt bezorgt Scriverius de Additions à l’historie de Louis XI aan Samuel Ampzing met het verzoek er enige bladzijden uit te vertalen. Dit verzoek blijkt niet alleen uit Ampzings hierboven (bij noot 64) aangehaalde brief van 16 oktober 1630, maar ook uit de met die brief meegestuurde vertaling van een deel van Naudé’s vierde hoofdstuk. Het zevende hoofdstuk, waarin Scriverius door Naudé wordt aangevallen, zal spoedig volgen, maar het is, zegt Ampzing, ‘een werk dat niet zeer aangenaam is’. Zou Scriverius deze vertalingen eventueel hebben willen gebruiken ten behoeve van een in de volkstaal opgestelde repliek? Naar zijn bedoeling met de vertaling blijft het gissen.

Behalve van Hugo de Groot kreeg Scriverius ook van Marcus Zuerius Boxhorn, die Naudé’s argumenten als onzinnig afdoet, een krachtige aansporing om zich niet bij de Franse aanval neer te leggen:

Treckt uyt ghy vermaerden Scriveri, die cracht uwes verstants ende stoot in stucken nu eenmael zijne [= Naudé’s] onsinnigheydt die so moetwillichlijck bespot d’eere uwes vaderlandts. Want ick weet dat het in uwe machte is te doen. Maeckt dan dat de twijffelachtige werelt ten eynde kennen dat men aen niemant moet d’eere gheven van dese gevonden konste dan alleen aen uwe Stadt Haerlem.77

Boxhorns aansporing staat in diens Theatrum (1632) dat hiervoor al aan bod kwam bij het stadsopschrift op het Coster-huis. Scriverius, die ook bijdragen had geleverd aan Boxhorns boek, schreef hiervoor een liminair Latijns lofdicht.78 Daarin spreekt hij in de eerste 16 versregels over zijn eigen opschoningen van de oudste geschiedenis van Hollandse steden. Daarna, in vs. 17–22, karakteriseert hij zichzelf, na een lichte tekstaanpassing, met de eerste zes (in Ampzings vertaling de eerste acht) regels van het hierboven, in noten 47–49, besproken achtregelige Latijnse gedicht onder zijn eigen portret (afb. 7). Vervolgens prijst hij Boxhorn die zijn werk voortzet en die hij wel heel bijzonder eert door te besluiten met de laatste twee (in Ampzings vertaling vier) regels van zijn eigen karakteristiek, nu toegepast op dit nieuwe talent.79

Scriverius zal alle reden hebben gehad om ingenomen te zijn met Boxhorns in het Latijn gestelde verdediging tegen Naudé en zijn uitvoerige uiteenzetting van de Haarlemse aanspraken op de uitvinding van de boekdrukkunst in zijn beschrijving van de stad Haarlem. De Laure-crans was in de volkstaal geschreven en kon dus nauwelijks een rol spelen in de internationale discussie over wie de eer van de uitvinding toekwam. Al zal Naudé door iemand over het boek ingelicht zijn, hij zal het niet zelf hebben kunnen beoordelen. Met Boxhorns publicatie werd Scriverius’ visie in 1632 echter internationaal toegankelijk. Ook het soort boek was uitermate geschikt voor het Coster- offensief. Geletterde buitenlandse bezoekers van Holland, onder wie de in noot 70 genoemde Franse geestelijke Joly, gebruikten Boxhorns Theatrum namelijk als reisgids.

Het einde van Scriverius’ Coster-campagne en wat er direct op volgde

In het Familiearchief Van Hoogstraten berust een ongedateerd los folium, een door Scriverius eigenhandig geschreven opzet voor een brief, ongetwijfeld gericht aan het stadsbestuur van Haarlem. Het begint met de aanhef in kapitalen: MIJN HEEREN (zie voor de transcriptie van de hele tekst bijlage 2). Scriverius refereert hierin aan zijn Laure-crans als reactie op hetgeen een vermaard jezuïet, Nicolaus Serarius (die met alle middelden gepoogd had zijn overtuiging pro-Mainz staande te houden) had geschreven. Wat is daarop gevolgd? vraagt Scriverius, en hij geeft zelf het antwoord: een zekere Fransman, Gabriel Naudé, verdedigt nu opnieuw met kracht dat [de eer voor] deze uitvinding de Mainzers toekomt. Scriverius besluit: ‘De Parijzenaar monsieur Naudé, die mijn boek onder ogen heeft gehad, gebruikt voortdurend smadelijke woorden, mij onder andere expliciet een leugenaar noemend, en daarmee op de stad Haarlem toepassende wat een tijd geleden Petrarca gezegd heeft van Parijs’. Naudé’s verwijzing naar de uitspraak van de Italiaanse humanist Petrarca houdt in dat de stad Haarlem veel aan haar eigen leugens verschuldigd is.80 Het is ons onbekend of het stuk waarvan dit ontwerp het begin was, ooit verzonden is. Het lijkt zeker niet te gaan om een introductie tot een betoog, maar veeleer om de wat mismoedige aanloop tot een verklaring waarom hij het voorlopig maar bij de Laure-crans zou willen laten. Weliswaar weten we uit zijn eerder genoemde brief aan Buchelius van 15 december 1628 (zie noot 54) dat hij toen nog van plan was een Latijnse editie daarvan voor te bereiden, maar ook van dat voornemen horen we later niets meer.

Scriverius bleef wel op zoek naar nieuwe gegevens en gebruikte het boek van Naudé zelf nog als bron van nieuwe informatie. In een van zijn eigen exemplaren van de Laure-crans noteerde hij enkele aanvullingen en verbeteringen die hij aan Naudé ontleende.81 Twee korte epigrammen tegen Naudé staan afgedrukt in de Opera Anecdota, onder de door Westerhovius in 1737 zonder bronvermeldingen uitgegeven Latijnse gedichten van Scriverius. Het is dus onduidelijk of deze nog tijdens diens leven gepubliceerd werden of dat ze door Westerhovius van onuitgegeven manuscripten zijn overgenomen.82 De enige ons bekende plaats waar Scriverius aan Naudé refereert in een eigentijds drukwerk, is zijn gedicht op Haarlem in Boxhorns Theatrum. Aan het slot daarvan worden Mainz en Naudé, de goedgelovige Fransman, weggehoond. Bij de vermelding van Naudé staat in een voetnoot Scriverius’ toelichting dat deze zich onlangs heeft ingespannen om op schaamteloze wijze ‘tegen mij’ aannemelijk te maken dat de uitvinding van de [druk]kunst te danken is aan Mainz.83

Wanneer Daniel Mostart (1592–1646) vanuit Amsterdam op 9 december 1635 een Nederlandse brief aan Scriverius stuurt over een familieaangelegenheid, schrijft hij in een Latijns postscriptum dat de Haarlemmers (bedoeld zal zijn: de Haarlemse stadsregering) er zich over verwonderen dat zij niets vernemen van enig geschrift van hem.84 Hadden zij in dat jaar een nieuw drukwerk van Scriverius verwacht? Eerder lijkt het erop dat de Haarlemmers sinds 1628 niets meer van Scriverius over de kwestie hadden gehoord, maar na Naudé wel een publieke reactie van hem hadden verwacht. Hoe dit ook zij, Scriverius heeft wel nog aantekeningen gemaakt. In het Van Hoogstraten-archief bevinden zich behalve Mostarts brief nog twee in elkaar gelegde diplomata in folio met door hem eigenhandig geschreven Latijnse gedichten en aantekeningen die voor het merendeel betrekking hebben op zaken rond de boekdrukkunst, waaronder een lofdicht op Haarlem en twee van elders onbekende gedichtjes, een op een afbeelding van Coster en een op de vermaledijde knecht Faust.85 Deze ongedateerde autograaf, die acht bladzijden telt, valt na 1630 te dateren, aangezien Gabriel Naudé op de vierde bladzijde genoemd wordt aan het slot van een lang gedicht. De twee diplomata zijn echter duidelijk geen voorbereiding van een reactie op Naudé. Ook het plan dat hij vóór de Laure-crans had om de geschiedenis van de boekdrukkunst ‘in’t generael’ te beschrijven, heeft Scriverius nooit weer opgevat. Waarom bleef het bij dat haastige ‘kleyn Boecxken’ waarin hij maar zo weinig van zijn onderzoeksmateriaal kwijt had gekund? De vraag dringt zich op, maar naar een antwoord kunnen wij slechts gissen.

De strijd om de eer van Haarlem en Holland werd intussen door anderen wel voortgezet. Uit een ongedateerde brief van Adriaen Pauw (1585 1653) aan Scriverius, eveneens in het Familiearchief Van Hoogstraten, weten we dat Scriverius niet nader omschreven boeken en papieren van hem leende op een moment dat hij in Haarlem verbleef.86 Adriaen Pauw, heer van Heemstede, in 1631 benoemd tot raadpensionaris van Holland, bezat met circa 16.000 titels de grootste bibliotheek van de Republiek.87 Tijdens het schrijven van de Laure-crans verbleef Scriverius in Haarlem.88 Mogelijk doelt Pauws brief op dat verblijf en moet deze in 1627 of 1628 gedateerd worden, maar zeker is dat niet. Wel is duidelijk dat Pauw de zaak van Coster een warm hart toedroeg. Tijdens zijn verblijf in Münster als onderhandelaar voor de vrede die ten slotte in 1648 getekend werd, was hij geregeld te gast bij domdeken Bernhard von Mallinckrodt (1591–1664), die zelf ook een prachtige bibliotheek bezat. Mallinckrodt had in 1638 en 1640 twee boeken over de kwestie Haarlem-Mainz geschreven, waarin hij Naudé steunt en Scriverius en Boxhorn aanvalt.89

Pauw leent nu in Münster aan Mallinckrodt enkele Costeriana die hij speciaal uit Holland laat overkomen. Twee Fransen, Ogier en Joly, die in november 1646 bij Mallinckrodt te gast zijn, krijgen deze boeken te zien. Ogier beschrijft een convoluut van drie blokboeken: een Latijnse Speculum humanae salvationis, een Ars moriendi, en een zogenaamde Biblia pauperum. Joly noemt dit laatste en een Apocalyps en noteert daarbij dat er portretten van Coster vóór de boeken gevoegd waren en titelbladen met de jaartallen 1428, 1430 en 1440.90 Overigens worden deze Costeriana niet genoemd in de catalogus van Pauws bibliotheek uit 1654 ten behoeve van een eerst in 1656 gehouden veiling.91

De Biblia pauperum is door Scriverius in de Laure-crans (p. 97–98) inderdaad op 1428 gedateerd, als het oudste blokboek en de eerste uitgave van Coster. De maker van de titelpagina’s zal echter Scriverius’ en Junius’ datering van de Nederlandse Spieghel onser behoudenisse op 1440, een jaar voor de noodlottige diefstal door Costers knecht, ten onrechte hebben toegekend aan de Latijnse Speculum, die in de Laure-crans niet besproken wordt. Voor de Ars moriendi, waarvan Scriverius slechts één plano kende (Laure-crans, p. 98–99), geeft hij alleen aan dat dit uit de begintijd van de drukkunst stamt. Later toegevoegde titelbladen en portretten als de in 1646 gesignaleerde, komen eveneens voor bij deels dezelfde werken in de Stadsbibliotheek van Haarlem, aangekocht in 1654.92 In de catalogus van Jaspers uit 1988 zijn dit cat.nrs 1 (Apocalyps), 2 (Ars moriendi), 3 (Canticum Canticorum) en 7 (Speculum humanae salvationis).93 In de Laure-crans worden hiervan nummer 1 en 7 niet besproken. De meeste titelbladen zijn in het Latijn, maar op dat van het Canticum Canticorum, waarvan Scriverius overigens alleen zegt dat de letters wat ‘volmaeckter’ lijken dan in de Biblia pauperum (Laure-crans, p. 98), is daaronder ook een Nederlandse tekst gesteld: ‘Figuren ende Taeffelen in Hout ghesneden by Laurens Jansz. Koster van Haarlem ghedrukt omtrent den jaere MCCCCXXX’.94 Op de toegevoegde titelpagina bij de Latijnse Speculum luidt het impressum bijvoorbeeld weer anders: ‘ex officina Laurentii Ioannis Costeri / Ao. 1440’.95 De toegevoegde portretten betreffen de gravure van Van de Velde (afb. 1), de ets van Saenredam (afb. 4) of de anonieme houtsnede (afb. 5).96 Vroege eigenaren, onder wie vermoedelijk Adriaen Pauw, hebben blijkbaar na verschijning van de Laure-crans deze en misschien nog andere exemplaren van blokboeken voorzien van titelbladen, jaartallen en portretten om de toeschrijving aan Coster te onderstrepen en voor het nageslacht vast te leggen.

Boxhorn, die Scriverius in 1632 al gesteund had tegen Naudé, heeft verder ook werkelijk invulling gegeven aan Scriverius’ programma, in dit geval het verdedigen van Coster en de eer van Haarlem. In 1640 verschijnt van zijn hand in Leiden De typographicae artis inventione et inventoribus dissertatio (Verhandeling over de uitvinding en de uitvinders van de boekdrukkunst), gedrukt door Willem Christiaensz, waarin hij de Haarlemse zaak tegen Naudé en nu inmiddels ook tegen Mallinckrodt verdedigt. In 1649 komt zijn, eveneens door Willem Christiaensz van der Boxe gedrukte, Nederlantsche historie uit met opnieuw een lange uiteenzetting over hetzelfde met wat niet meer dan een herhaling van zetten is.97

Van Scriverius zelf vernemen we niets meer over dit onderwerp. Achteraf beschouwd is zijn zoektocht tevergeefs geweest. Er zijn immers nooit bewijzen gevonden voor de Haarlemse aanspraken. Wat die voor Scriverius (en in feite al voor Coornhert in 1561) inhielden, was niet dat de eerste boeken met goed gevormde losse metalen letters in Haarlem waren gedrukt.98 Die eer kon Mainz niet worden ontzegd. Essentieel was daarom het verhaal dat, toen bij Coster alles technisch geperfectioneerd en eindelijk klaar was, de trouweloze knecht er met ‘tharde letter tuyg’ vandoor ging. Keer op keer zegt Scriverius het in zijn verzen: de drukkunst in Haarlem het eerst ‘gevonden’, in Mainz later in operationele staat ‘in’t licht ghebraght’ en van daaruit verbreid. Hem ging het daarbij vooral om ‘d’eerste Vond’, Costers ingeving in 1428 in de Haarlemmerhout, nadat God hem ongewild in het bos in slaap deed vallen en zijn beuken- of eikenschors-letters, gewikkeld in papier, deed natregenen, waardoor zij op dat papier een afdruk achterlieten.99 Dat immers leidde tot Costers eerste blokboek. Wat Scriverius zocht te bewijzen was in essentie deze onbewijsbare uitvindings-legende, die voor hem door zijn grote voorbeeld Junius tot historische waarheid was verheven. Dat, niet zijn onvermijdelijk falen als boekhistoricus, is de eigenlijke tragiek van zijn gehele Coster-campagne.

Ten slotte: was Scriverius een leugenaar?

Was Scriverius een leugenaar, zoals Naudé hem typeerde? Langereis laat overtuigend zien dat Van Campens Coster-portret niet mag worden beschouwd als een vervalsing en dat Scriverius op een serieuze wijze zijn boekhistorische onderzoek verrichtte. Er is echter één passage in Roomans brief van 1630 die in dit verband van belang is en die Langereis niet bespreekt. Rooman vraagt Scriverius’ medewerking vanwege de ‘liefde vande [boekdruk]konst ende u geboorte plaetse’. Scriverius zelf laat niet na te benadrukken dat hij in Haarlem geboren is, zoals de volgende dichtregel aardig aangeeft: ‘Mijn vader-stad roept my, nae Haerlem moet ick hooren’.100 Als geboren en getogen Haarlemmer voelt hij zich geroepen zijn stad te dienen én te verdedigen, en dat is precies waar Rooman hem op aanspreekt. De Laure-crans is geschreven, zegt Scriverius, ‘ter eeren van mijn lieve Vader-Stad Haerlem’.101 Maar waar Langereis op p. 59 van haar bijdrage spreekt over Haarlem als Scriverius’ ‘Vader-Stad’, verwijst zij voor nadere uitleg naar p. 105 van haar proefschrift, alwaar zij betoogt dat Scriverius het in zijn publicaties graag deed voorkomen alsof hij Haarlemmer van geboorte was, terwijl hij in werkelijkheid in Amsterdam zou zijn geboren. Degene die het tot zijn levenswerk maakte om leugens en fabels in de vaderlandse geschiedenis uit de wereld te helpen,102 maakte zich volgens haar dus zelf schuldig aan een levenslange leugen. We zullen elders gedetailleerd aantonen dat Scriverius wel degelijk in Haarlem geboren is.103 Hij verdedigde inderdaad als geboren Haarlemmer zijn stad tegenover Mainz. Hij voelde het als zijn plicht en wel omwille van de waarheid, maar vooral voor de eer van Haarlem.