Toen in april 1609 het Twaalfjarig Bestand was ondertekend door de delegaties van de Habsburgse Nederlanden, Madrid en de Republiek werd dit akkoord in de Nederlanden met vreugde verwelkomd. Zowel in de Zuidelijke Nederlanden als in de Verenigde Nederlanden werd het Bestand op eigen wijze gevierd. In sommige steden verbeeldden rederijkerskamers de overwinning van de Vrede op de Oorlog. In Antwerpen trok een processie door de stad die in het teken stond van de twaalfjarige vrede die in de Scheldestad was overeengekomen. De Aartshertogen Albrecht en Isabella werden in deze ommegang geprezen als de brengers van vrede en (een terugkerende) welvaart.1 De Genuese bankier en succesvolle bevelvoerder van het Spaans-Habsburgse leger in de Nederlanden, Ambrogio Spinola, die was opgetreden als een van de Spaans-Habsburgse onderhandelaars, schreef onmiddellijk een enthousiaste brief aan de Spaanse vorst Filips III. Spinola liet zich positief uit over het Bestand en over de toekomst van de Nederlanden,2 maar het werd niet door iedereen met evenveel vreugde ontvangen. Naast het feit dat Filips III uiteindelijk met tegenzin zijn handtekening zette onder de overeenkomst, bestond er onder leden van de Spaanse elite ernstig bezwaar tegen de wapenstilstand.3 Zij vonden de resultaten van het Bestand in het nadeel van Spanje en wilden net als hun vorst de oorlog voortzetten. In de Republiek was ook niet iedereen verguld met de Vrede van Antwerpen. Tijdens de Bestandsjaren zouden religieuze tegenstellingen uitlopen op een controverse tussen Van Oldenbarnevelt en prins Maurits. Op de achtergrond van dit politieke geschil speelden de uitkomsten van het Bestand een rol.

De diplomatieke activiteiten in Den Haag en het uiteindelijke compromis dat vervolgens werd vastgelegd in Antwerpen, werden in grote delen van Europa met bijzondere aandacht gevolgd. Deze buitenlandse belangstelling voor de politieke ontwikkelingen in de Nederlanden is te verklaren vanuit de opvatting dat de strijd een internationale oorlog was die gevolgen kon hebben voor andere Europese landen.4 Ook in Italië waar verschillende (stad)staten onder invloed stonden van het Spaans-Habsburgse imperium, werd de evolutie van de Nederlandse oorlogen met argusogen in de gaten gehouden. In verschillende publicaties is al gewezen op deze interesse van Italiaanse zijde.5 De productie van vroegmoderne Italiaanse geschiedkundige werken over de Opstand ligt zelfs hoger dan het aantal Spaanse uitgaven. Het grootste deel ervan beschrijft een of meer fases van de Opstand, vanaf 1566 tot ver na het Twaalfjarig Bestand.6 Duizenden Italianen, bijvoorbeeld, vochten in het Habsburgse leger; sommige militairen uit het koninklijke leger schreven over hun ervaringen of besteedden in historische werken aandacht aan de gebeurtenissen in de Lage Landen. De meeste Italiaanse geschiedenissen over de Opstand zijn dan ook kroniekwerken waarbij het accent ligt op het (chronologisch) beschrijven van de oorlogshandelingen tussen de Spaans-Habsburgse troepen en de Nederlandse opstandelingen. Sommige auteurs staan kritisch tegenover het Spaans-Habsburgse beleid in de Nederlanden, zoals de Genuese koopman en geschiedschrijver Gerolamo Conestaggio (1540–1611).7 Een werk dat afwijkt van de veel toegepaste kroniekvorm is een publicatie van Giovanni Costa (ca. 1550-ca. 1630) uit Genua. Die publiceerde bij de Genuese drukker Giuseppe Pavoni in 1610 een verhandeling over het Twaalfjarig Bestand onder de titel Ragionamento sopra la triegua de’ Paesi Bassi, conchiusa in Anversa l’anno 1609.8 Binnen de Nederlandse historiografie over de Opstand is dit werk tot nu toe onopgemerkt gebleven. In Italië is de belangstelling voor Costa lang beperkt gebleven tot een breedvoerige bijdrage van Raffaele Belvederi,9 en in een enkel artikel vindt men (soms summiere) verwijzingen naar het kleine oeuvre van de Genuese schrijver.10 Toch is de bescheiden belangstelling voor Giovanni Costa jammer, want Ragionamento is een belangwekkend geschrift dat niet alleen handelt over een belangrijke fase van de Opstand, maar bovendien vertelt hoe men in Genua naar de Opstand keek. De verhandeling geeft inzicht hoe in Genua in kringen van de bestuurlijke elite werd gedacht over het Twaalfjarig Bestand, en de politieke en economische gevolgen die de overeenkomst zou hebben voor de Spaans-Habsburgse regering én voor Genua.

In dit artikel zullen we ingaan op de vraag voor wie Costa deze verhandeling schreef en wat de politieke agenda ervan was. Waarom schreef de auteur een werk waarin een Nederlands thema het gespreksonderwerp is tussen Genuese notabelen? De interesse in Genua voor de Opstand kan in verband worden gebracht met de politieke situatie in de Ligurische stadsrepubliek. Als we goed kijken dan treffen we in het vertoog over het Bestand een lokale agenda aan. Aan het begin van de zeventiende eeuw waren de gemoederen in Genua verhit geraakt door politieke debatten. In deze debatten draaide het om het conflict tussen het oud-aristocratische deel van de stad en de nieuwe aristocratie waarin de stedelijke intellectuele elite een belangrijke rol speelde. De Spaans-Habsburgse dominantie en de economische situatie in de havenstad vormden de achtergrond van de discussies.11

De dialoog: een gesprek onder heren in Genua

Veel succes was voor Costa’s traktaat niet weggelegd. Zijn boek zou tot één druk beperkt blijven. De auteur stond geen chronologisch verhaal voor ogen dat één fase van de Opstand beschreef. De actualiteit van het Bestand dat in 1609 werd overeengekomen en het belang daarvan voor de stadsrepubliek Genua kwam voor hem waarschijnlijk op de eerste plaats. Een ander opmerkelijk verschil met Italiaanse geschiedenissen over de Opstand is de vorm waarin zijn verhandeling is gegoten. Costa verkoos de dialoog boven een chronologisch verslag van het Bestand. De vorm van de dialoog bood de auteur gelegenheid om verschillende visies die binnen de stadsrepubliek van Genua leefden over de Vrede van Antwerpen, in zijn traktaat aan de orde te stellen. De literaire vorm van de dialoog raakte in de vijftiende en zestiende eeuw in de mode. Tijdens de Italiaanse renaissance werden de dialogen van Plato vooral dankzij de Latijnse vertalingen van Marsilio Ficino weer herontdekt en nagevolgd. Ook werden dialogen van andere klassieke auteurs bestudeerd en als voorbeeld gebruikt. Voorbeelden van de dialoog in het vroegmoderne Italië vinden we bijvoorbeeld terug in de werken van Baldassare Castiglione, Sperone Speroni, Stefano Guazzo en Torquato Tasso. In de vijftiende eeuw verschenen aanvankelijk dialogen in het Latijn, maar vanaf het begin van de zestiende eeuw kwamen de eerste werken in het Italiaans op de markt.12 Ook in Genua zagen schrijvers de dialoogvorm als een middel om hun standpunten over politieke kwesties die in de stad speelden voor het voetlicht te brengen. De stadsarchieven van Genua herbergen tientallen manuscripten met dialogen die betrekking hebben op de verschillende turbulente perioden in het vroegmoderne Genua.13

Het motief om het traktaat te schrijven wordt al aan het begin van Costa’s werk bij wijze van introductie aan de lezer meegedeeld. De auteur, zo lezen we, werd door een vriend aangemoedigd een verhandeling over de vrede van Antwerpen te schrijven. Deze vriend, ‘een wijs man’ zoals Costa hem typeert, vroeg zich af hoe het Bestand tot stand was gekomen. Het was hem namelijk opgevallen dat in Genua verschillende denkbeelden over het Bestand de ronde deden, zoals dat ook ‘elders’ het geval was, en dat in de stad werd gediscussieerd over de wapenstilstand.14 Na aanvankelijke twijfels gaf het intense verlangen (‘un’intenso disiderio’) om over het Bestand te schrijven toch uiteindelijk de doorslag. Met het werk hoopt Costa zijn vriend duidelijk te maken wat de motieven, verwachte gevolgen en verdiensten van het Bestand zijn. Het zal de auteur veel inspanning kosten om de complexiteit van het Bestand te begrijpen.15 Het betoog is, benadrukt Costa, niet gebaseerd op zijn eigen denkbeelden maar is een weergave van een bijeenkomst van enkele bijzonder wijze heren. De schrijver die ‘tot zijn geluk’ bij deze samenkomst aanwezig was, heeft geprobeerd, als zijn geheugen dat toelaat, precies op te tekenen wat door deze heren is gezegd.16

Het vertelraamwerk van Ragionamento wordt dus gevormd door een eerbiedwaardig gezelschap van Genuese aristocraten. Elke winter komen op meerdere plaatsen in de stadsrepubliek, zo weten we van de schrijver, plaatselijke notabelen in de namiddag bijeen om met elkaar over allerlei onderwerpen van gedachten te wisselen. De kring van heren die in Costa’s betoog centraal staat, treft elkaar beurtelings, naar gewoonte van het deftige gezelschap, ten huize van één der heren. Tijdens deze gesprekken vermaken de aanwezigen zich met onderwerpen zoals het bestuur van de stadsrepubliek, ontwikkelingen in de wereld, geleerde onderwerpen en kwesties die met de (stedelijke) moraal van doen hebben. De discussies waaieren dus uit over alle mogelijke onderwerpen en de sfeer is, zo proeft men uit de woorden van de auteur, collegiaal en vriendelijk.17 Maar als de gesprekken tijdens de door Costa bijgewoonde bijeenkomst overschakelen op het Twaalfjarig Bestand, blijken de meningen hierover sterk uiteen te lopen. Het akkoord tussen de Habsburgers en de Republiek leidt binnen het gezelschap tot discussie. Maar wie zijn deze heren en welke standpunten nemen zij in?

De anonieme personages in Costa’s vertoog behoren tot de regerende klasse in Genua. De kwalificaties die de schrijver aan de gesprekspartners toedicht geven dat duidelijk aan. De verzamelde heren vormen een waardig gezelschap (‘un’horrevol compagnia’) van aristocratische, rijke, geleerde en hooggeplaatste stadsburgers die zijn uitgenodigd door de heer des huizes. De gastheer wordt beschreven als een man die in Genua bekend staat om zijn bijzondere kwaliteiten (‘le singolari sue virtù’) en zijn grote kennis van wereldse zaken. Het is om deze reden dat het gezelschap van debatterende heren hem naar zijn mening vraagt over het actuele nieuws van het Twaalfjarig Bestand. Na enige aansporing licht hij zijn opvattingen over de resultaten van de Vrede van Antwerpen toe.18

De gastheer verhaalt over de oorzaken en gevolgen van de Nederlandse oorlogen. In enkele zinnen vat hij de gebeurtenissen in de Nederlanden samen die leidden tot de Opstand. Zijn relaas overspant de zestiende eeuw waarin de opkomst van de Reformatie en de reactie van de Habsburgse vorsten op de onrust in de Nederlanden een belangrijk onderdeel zijn van de gebeurtenissen. Als een van de belangrijkste oorzaken van de Opstand ziet hij het harde optreden van de hertog van Alva:

Maar toen de Vorst de Hertog van Alva met een groot leger [naar de Nederlanden] stuurde om de misdadigers te straffen dienden zich nieuwe omstandigheden aan die een verschrikkelijke oorlog inluidden. Sommige legeronderdelen gedroegen zich zo slecht in die gebieden, dat enkele gewesten zich afscheidden. Deze oorlog die eerst zo voorspoedig verliep dat daardoor de rebellen ontmoedigd raakten, werd van dag tot dag hachelijker en ontwikkelde zich, zoals iedereen weet, in een oorlog met ongelukkige gevolgen.19

Uiteindelijk werd volgens de gastheer met de komst van de aartshertogen in 1598 in de Nederlanden het vredesproces in gang gezet. Initiatieven van de vorsten leidden met het bereiken van een wapenstilstand tot een einde van de oorlog. De historische uiteenzetting van de gastheer, die kritische opmerkingen bevat aan het adres van het Spaans-Habsburgse bestuur in de Nederlanden tijdens de eerste fase van de Opstand, valt bij sommige aanwezigen niet in goede aarde. Zijn lof voor het Bestand wordt bovendien niet door iedereen gewaardeerd. Het is dan ook een van deze critici die zich tot de gasten richt.

Deze spreker, die begiftigd is met een ‘snelle en scherpe geest’, verwoordt de gevoelens van enkele aanwezigen ten opzichte van het Bestand.20 In een al even uitvoerig betoog als dat van zijn voorganger keert hij zich tegen het Bestand en typeert hij de uitkomsten van de vrede als een zwaktebod ten opzichte van de ‘rebellen’. De uitkomsten van het Bestand maken volgens de criticus duidelijk hoezeer men het verstand is kwijt geraakt door te verklaren dat men met alle gewesten wil onderhandelen, ook met de ‘vrije gewesten’. Hoe kan het toch dat de aartshertogen zijn gaan praten met de gebieden die van oudsher behoren tot het Spaans-Habsburgse Rijk? In de optiek van de spreker was de Vrede van Antwerpen op een verkeerd moment tot stand gekomen omdat de situatie op het slagveld voor het Spaans-Habsburgse leger helemaal niet hopeloos was. Het Staatse leger onder leiding van Maurits was in moeilijkheden geraakt, miste elke buitenlandse steun en stond op het punt door de koninklijke troepen van Ambrogio Spinola verslagen te worden. En als een offensieve oorlog niet reëel meer was, waarom dan geen defensieve strijd gevoerd? De spreekbuis van de anti-pacifisten van het gezelschap uit dan ook zijn zorgen over het imago van de machtige Spaanse staat dat door de Vrede van Antwerpen is beschadigd. Hij roept de koning en de aartshertogen daarom op

om de oorlog [na het aflopen van het Bestand] te hervatten, met het doel de opstandige
gewesten te dwingen weer het katholieke geloof te omarmen en hen
zodoende verre te houden van de verderfelijke ketterse invloeden.21

Het opnemen van de wapens tegen de opstandige provinciën zou uiteindelijk moeten resulteren in de hereniging van de Nederlanden onder de Habsburgse vlag. De terugkeer van de universele (dat wil zeggen: christelijk geïnspireerde) vrede in de Nederlanden en misschien ook de vele politieke en religieuze meningsverschillen in de Republiek zouden ertoe kunnen leiden dat de afgescheiden gewesten weer terugkeren in de schoot van het Spaans-Habsburgse rijk.21

Op het moment dat de tweede spreker zijn kritische relaas beëindigt, keren de gastheer en zijn gezelschap zich naar een van de aanwezigen die opmerkt dat onder de heren zich toch iemand bevindt die beter dan wie ook op de hoogte is van de zaken die Spanje en de Nederlanden betreffen. En volgens hem heeft deze gast een gepast antwoord op de criticasters van het Bestand. Hierop neemt deze edelman, die bekend staat als een bescheiden man, het woord. In zijn bijdrage gaat hij in op de kritiek die binnen het gezelschap leeft ten opzichte van de vredespolitiek van de Habsburgse vorsten.22 Volgens de derde spreker was het aan Filips III en de aartshertogen te danken dat men inzag dat de problemen niet met geweld waren op te lossen. Zij kozen voor onderhandelingen om uiteindelijk met de Republiek tot een akkoord te komen. Het ging de Spaanse vorsten niet om de verdediging van het materiële bezit in de Nederlanden: zij werden gedreven door een katholieke politiek die zich teweer stelde tegenover de invloeden van de ketterse godsdiensten. De koning en de aartshertogen wisten, zo stelt de spreker, heel goed hoe men diende te regeren en hoe men daarbij diende op te komen voor het publiek welzijn.23

Het beleid van het Spaans-Habsburgse vorstenhuis tijdens de opstand wordt in het vertoog van de derde spreker vervolgens uitgebreid besproken en verdedigd. De fouten die door de Habsburgers zijn gemaakt, worden door hem niet verzwegen (waarmee hij antwoord geeft op de kritische opmerkingen van de gastheer): hij gaat in op de gevolgen van de inquisitie en de gewelddadige plunderingen door Spaans-Habsburgse soldaten. De vredespolitiek van Filips III en de aartshertogen die aan het begin van de zeventiende eeuw werd ingezet, heeft echter laten zien dat de intentie van de vorsten gericht is op het stoppen van de gevechtshandelingen in de Lage Landen. Dat het Spaanse koningshuis uiteindelijk bewust koos voor de weg van de vrede was in de ogen van de spreker heel begrijpelijk.24 De situatie in grote delen van de Noordelijke Nederlanden was in het nadeel van de Spaans-Habsburgse troepenmacht; vooral de lastige geografische omstandigheden maakten het voor hun legers onmogelijk om gebieden terug te veroveren. Ook het permanente gebrek aan soldij en de muiterijen van onderdelen van het Spaans-Habsburgse leger in de Nederlanden die daarop volgden, bespoedigden de onderhandelingen tussen de Habsburgers en de Verenigde Nederlanden. Met geweld bereikt men alleen maar het tegendeel, zo stelt de spreker vast. Met bijna dezelfde woorden oordeelt Gerolamo Conestaggio in zijn geschiedenis van de Opstand over het zinloze harde optreden van de Spaans-Habsburgse troepen in de Nederlanden. De vorst dient zijn afwegingen te maken om een groot deel van de wereld te kunnen regeren en doet dat op basis van nuttige, zelfs noodzakelijke maatregelen om op deze wijze zijn landen te behouden en uit te breiden. Daarom is de uitkomst van het Bestand een verdienste van de vorst en de aartshertogen. Maar, voegt de spreker daaraan toe:

Als sommige gebieden de vorst niet alleen meer iets opleveren, maar hem en zijn overige landen meer schade toebrengen dan winst, moet hij doen wat noodzakelijk is. De vorst moet dat deel van zijn rijk wegdoen, zoals een bekwame arts dient te handelen om een mensenleven te redden door het aangetaste lichaamsdeel te amputeren van het gezonde deel.25

De gematigde opstelling van de derde spreker tegenover de Verenigde Nederlanden, komt nog meer tot uiting in de passages waarin hij zijn waardering uitspreekt over de inwoners van de Republiek en vooral hun bekwaamheid in de koopvaardij, handel en landbouw. Uiteindelijk zo hoopt deze spreker, zullen de Nederlanders geïnspireerd door God terugkeren naar hun eerste gelukkige grondbeginselen, zoals welvaart en sociale stabiliteit, en zullen zij door de bereikte vrede hun militaire aspiraties afleggen. Want oorlog beschadigt de economie en zal voor politieke instabiliteit zorgen.26

Een andere passage die veelzeggend is, vinden we op het moment dat de derde spreker over de vrijheid van de zeeën uitweidt. Net zoals in zijn genuanceerde zinnen over de vrijheidszin van de Nederlanders en hun verzet tegen de vorst, keert de derde gesprekspartner zich in zijn betoog tegen de maritieme politiek van de Spaanse vorst om de vaart op belangrijke Europese en overzeese gebieden op te eisen ten gunste van de Spaanse koopvaardij. De spreker houdt zijn toehoorders voor dat het

aan iedereen is toegestaan om in het grootste deel van de havens in de overzeese gebieden zoals in de Indiën te handelen met de volkeren aldaar, die op hun beurt de vrijheid hebben met iedereen of met elk aanleggend schip handel te drijven.27

In deze frase klinken de denkbeelden door van Hugo Grotius’ Mare liberum dat was verschenen in april 1609, in dezelfde maand dat het Bestand in Antwerpen werd ondertekend. Ook op andere plaatsen in het traktaat verwijst Costa naar de kwestie van de vrije vaart op Indië. Door dit actuele onderwerp te noemen in zijn werk, verbindt de auteur de ideeën van Grotius over de vrije zeeën met de handelsbelangen van Genua, zoals de plannen van de stadsrepubliek die moesten leiden tot het stichten van een eigen handelsvloot naar het voorbeeld van de voc, waarover hieronder meer.28

Het volgens Costa overtuigende betoog van de ‘verdediger van het Bestand’ laat het gezelschap in verwarring achter. Wie zou onder de aanwezigen in staat zijn deze omstandige maar toch genuanceerde verdediging van de vredespolitiek van het Spaans-Habsburgse vorstenhuis tegen te spreken? Zij richten zich vervolgens tot iemand die tijdens het betoog heel aandachtig heeft geluisterd en intellectueel zeker niet moet onderdoen voor de laatste spreker. Deze heer gaat niet echt in op de vorige sprekers, hoewel vanuit het gezelschap het verzoek komt dat wel te doen. In zijn afsluitende bedenkingen legt de spreker in de vorm van een epiloog de nadruk op de lofwaardige rol van de Spaans-Habsburgse vorsten. Hier spreekt de schrijver zelf. Costa heeft door middel van deze dialoog een beeld willen geven van de verschillende meningen in zijn stad en ondanks de kritiek op de rol van de aartshertogen en de Spaanse vorsten Filips III en zijn vader Filips II tijdens de roerige jaren van de Opstand, staat de conclusie in het teken van de goede regering en hun christelijke vredespolitiek. De vredespolitiek van de Habsburgse vorsten heeft tijdelijk een einde gemaakt aan een internationale oorlog, die het Spaanse imperium en Genua als vazalstaat veel schade had toegebracht. De Vrede van Antwerpen zou nu alleen maar voorspoed brengen, zo kunnen de laatste woorden van deze dialoog worden geïnterpreteerd, en ten goede komen aan het welzijn van de Habsburgse vorsten en hun onderdanen. De lange rede van de derde spreker die vooral een reactie is op het verhaal van zijn voorganger, is echter de moeite waard om langer bij stil te staan. De dialoog lijkt op het eerste oog te gaan over een voor de Genuezen betrekkelijk ‘veraf’ en abstract probleem. Toch was het dat niet. Waarom schreef Costa dit traktaat met een Nederlands onderwerp?

Giovanni Costa en Genua

Giovanni Costa werd niet lang na zijn geboorte, halverwege de zestiende eeuw, in Genua opgenomen in het boek van de stedelijke adel, Liber nobilitatis. Onbekend is of de familie van Giovanni Costa (en hijzelf) tot de oude of nieuwe adel in Genua behoorde.29 In ieder geval nam Costa al op jonge leeftijd intensief deel aan het culturele en politieke leven van Genua. Opgeleid als wiskundige, richtte hij zich later op de letteren en geschiedschrijving.30 Hij schreef een epigram ter ere van de gebroeders Umberto en Paolo Foglietta. Beiden maakten deel uit van de Genuese intelligentsia die kritisch stond tegenover de oude stedelijke aristocratie. In 1583 werd Costa verkozen tot lid van de Grote Raad van de Republiek Genua. Zijn politieke carrière zou in 1606 een vervolg krijgen toen hij werd verkozen als een van de bewindvoerders (capitani) van zijn stad. Zes jaar later trad hij toe tot de Rekenkamer van Genua.31 De jaren die hierna volgden stonden, voor zover te achterhalen valt, vooral in het teken van zorgen om zijn zoon Alamanno die op zijn eenentwintigste jaar werd ingeschreven in het Genuese Liber nobilitatis.32 In de voetsporen van zijn vader koos Alamanno de weg van geschiedschrijver. Zijn eerste werk, dat handelt over de vorst van Condé, werd om onbekende redenen door de senaat van Genua verboden.

Het vertoog over het Bestand uit 1610 is zover we nu weten het eerste werk van Giovanni Costa. Maar al in 1587 werden zijn kwaliteiten als geschiedschrijver door de Genuese dichter, medicus en filosoof Giulio Guastavini (1560–1643) geroemd.33 Costa’s tweede geschiedwerk Trattato della pace e della libertà d’Italia e de’ modi di conservarle verscheen in 1615 te Genua bij de uitgever Pavoni en is opgedragen aan Cosimo II de’ Medici, groothertog van Toscane. In de laatste periode van zijn leven schreef Costa aan zijn laatste geschiedwerk. Het manuscript met de titel Historia della guerra de’ principi collegati contro il re di Spagna e casa d’Austria e la Repubblicadi Genova, dat nooit werd uitgegeven, eindigt in 1629 als de Spaanse troonpretendent en zoon van Filips III, de latere Filips iv, wordt geboren. Na 1629 lopen alle sporen naar het verdere leven van Costa dood.

Hoewel we dus over Costa’s leven en zijn geschiedkundige werk uit de laatste jaren van de zestiende eeuw in het duister moeten tasten, kunnen we op basis van zijn overgeleverde werken en de politieke constellatie in de stadsrepubliek de beweegredenen achterhalen die de schrijver er toe hebben gebracht een verhandeling te schrijven over het Twaalfjarig Bestand. Zijn latere gepubliceerde en niet-uitgegeven werken kenmerken zich vooral door de belangstelling voor het vraagstuk van de vrede, dat natuurlijk heel duidelijk verbonden was met het streven naar rust en orde in Italië. Hier gaat het vooral over de vraag waarom Costa het traktaat publiceerde en voor wie het bestemd was.

Om dichter bij de beweegredenen van zijn werk te komen, dienen we ons rekenschap te geven van de politieke cultuur in Genua tijdens de eerste decennia van de zeventiende eeuw. De positie van de Ligurische republiek hing samen met de politieke en economische ontwikkelingen in Europa. In een recent historisch werk over het vroegmoderne Genua stelt Thomas Allison Kirk dat de geschiedschrijving over de stad zich lang heeft beperkt tot een strikt regionale kijk.34 Uiteraard zijn de politieke verwikkelingen in de havenstad niet los te zien van Genua’s geopolitieke positie.

Sinds 1528 bevond Genua zich binnen de invloedsfeer van het Spaans-Habsburgse imperium. Andrea Doria, telg van een van de machtigste Genuese adellijke families en vóór 1528 in dienst van de Franse koning Frans i, sloot zich in dit jaar aan bij het leger van Karel v. In dienst van de Habsburgers bezette hij in dat jaar Genua. De havenstad werd daarmee een satellietstaat van de Spaanse vorst. De invloed van de Habsburgers in Genua behoedde de republiek wel voor verdere buitenlandse inmenging en bezorgde haar een formele onafhankelijkheid en betrekkelijke neutraliteit binnen de wereld van de Habsburgers. De vertrouwensband met de Spaanse vorst bracht lucratieve verbintenissen voor Doria en zijn Genuese clientèle.35

Het jaar 1528 was bovendien van grote betekenis voor interne verhoudingen in de stadstaat. Hervormingen in de stadsregering gingen samen met grote veranderingen binnen de adellijke elite van de stad. De veranderingen in de constitutie van de havenstad brachten de stad stabiliteit en bescherming tegen bijvoorbeeld Franse bemoeizucht. De hervorming in Genua van de stedelijke adel legde overigens wel de grondslag voor (de latere) spanningen tussen de oude (nobilivecchi) en nieuwe adel (nobili nuovi).36 Aan het einde van de zestiende eeuw ontwikkelde de nieuwe aristocratie zich als de grootste groep binnen de stedelijke heersende klasse. De invloed van de nobili nuovi op het lokale politieke bedrijf bleef echter beperkt.

Ondanks de hervormingen en de mogelijkheid voor de nieuwe adel om toe te treden tot activiteiten van economische en financiële aard, waartoe tot voor de revolutie van 1575 alleen de oude aristocratie toegang had, bleven spanningen tussen de twee aristocratische facties ook in de eerste decennia van de zeventiende eeuw bestaan. De groeiende inmenging van de Spaanse kroon in de binnenlandse aangelegenheden van de Ligurische republiek zorgde voor irritatie bij de nieuwe adel. De stemming onder leden van de nieuwe aristocratie was in eerste instantie echter niet zozeer uitgesproken anti-Spaans. Binnen de kringen van de nieuwe adel zocht men vooral naar nieuwe wegen binnen de relatie met het Spaans-Habsburgse imperium. Zoals Thomas Allen Kirk opmerkt was dit nieuwe zelfbewustzijn van de Genuese aristocratische ingezetenen een streven naar realpolitik om de neutraliteit ten opzichte van de Spaanse vorst te benadrukken.37 Er was onder de leidende krachten van de nieuwe adel een verlangen om meer politieke afstand te nemen van het Spaanse vorstenhuis.

Door grote meningsverschillen binnen de Genuese elite, de tegenstelling tussen de oude en nieuwe adel maar ook de verschillen van opvatting binnen de nieuwe adel, was het voor de republiek Genua moeilijk om in de eerste periode van de zeventiende eeuw een duidelijke politieke koers uit te zetten.38 Het conflict beperkte zich bovendien niet tot de adel. Naast afgevaardigden uit nieuwe adellijke geledingen van de Genuese stedelijke bevolking, waaronder kooplieden, bankiers en juristen, keerde de middenklasse zich tegen de te grote economische en politieke afhankelijkheid van het Spaanse koningshuis. Bovendien ergerden zij zich samen met een deel van de nieuwe adel aan de buitensporige rijkdom van de oude aristocratische families in de stad.39

Giovanni Costa wilde met zijn werk de debatten verder aanzwengelen in de stadsrepubliek. Het ging in deze debatten vooral over de positie van Genua binnen het Habsburgse imperium en de na- en voordelen die deze verbintenis opleverden voor de stadsbewoners. Discussies die zich op allerlei terreinen voordeden: in de straten, steegjes en pleinen, in de tavernen, winkels en werkplaatsen, in sociëteiten, koffiehuizen, theaters, literaire academies en salons.40 Verder werd politieke informatie op allerlei mogelijke wijzen verspreid en dit droeg dus bij aan de plaatselijke debatten via met de pen geschreven berichten, brieven, pamfletten, avvisi (nieuwsberichten) en manuscripten die werden gekopieerd en verspreid onder belanghebbenden en belangstellenden. Drukwerk in de vorm van geschiedwerken en traktaten waren niet minder belangrijk, maar konden wel makkelijker een prooi worden van de stedelijke censuur.

De ontevredenheid van de Genuese stedelijke middenklasse over de positie van Genua binnen de Habsburgse invloedsfeer vinden we aan het begin van de zeventiende eeuw terug in de polemieken en discussies die overal in de stad werden gevoerd. Om de discussies in de kiem te smoren vaardigde het Genuese stadsbestuur een maatregel uit die aan iedereen het verbod oplegde over politieke aangelegenheden te schrijven of te publiceren als daarvoor geen toestemming van de stedelijke autoriteiten was gegeven.41

De beperkingen die de Genuese regering zijn burgers oplegde had echter een averechts effect; de maatregelen zorgden voor een opmerkelijke verspreiding van manuscripten waarin de politieke situatie in de stad op de korrel werd genomen. Al eerder in de geschiedenis van de Republiek was het voorgekomen dat manuscripten de rol overnamen van het officiële drukwerk. In de jaren rond de turbulente revolutionaire periode van 1576 was er een (door het republikeinse bestuur afgedwongen) publicitaire stilte gevallen over Genua. Het alternatief werd gevonden in het kopiëren van manuscripten; het aantal manuscripten zou net als aan het begin van de zeventiende eeuw de kwantiteit van de gedrukte werken overstijgen.42 Onder deze manuscripten bevonden zich niet alleen politieke geschriften die de actuele verwikkelingen in Genua tot onderwerp hadden. In traktaten, brieven, memoires en sommige historische geschriften vond kritiek op het Genuese bestuur via de verspreiding van manuscripten plaats.43 Om de republikeinse censuur te omzeilen waren er voor critici van de situatie in Genua ook andere mogelijkheden voorhanden om hun denkbeelden te verspreiden. Costa’s boek was waarschijnlijk ook in eerste instantie bestemd voor de Genuese aristocratie die het bestuur en de gang van zaken in de stad controleerde. Daarnaast richtte Costa zich tot de breed geïnteresseerde lezer in Genua. Voor dit soort teksten was er blijkbaar een groter publiek.44

De nooit uitgegeven manuscripten en vele andere documenten die in privéverzamelingen, huisbibliotheken en archieven voor een lange tijd verborgen bleven, zijn getuigen van een intensieve en soms heftige discussiecultuur in het vroegmoderne Genua. Men zou kunnen spreken van een ondergrondse republiek der letteren. Costa’s Ragionamento lijkt op het eerste gezicht van een andere categorie te zijn. Ragionamento werd ter perse gelegd en verscheen bij een gerenommeerde drukker van wie je toch moeilijk kon verwachten dat hij zijn bedrijf in de waagschaal zou stellen met een al te opvallend kritisch werk. De uitgever zag een commercieel succes weggelegd voor Costa’s vertoog en blijkbaar verwachtte hij voldoende belangstelling voor een actueel onderwerp. Het werk had weliswaar een buitenlands onderwerp, dat zich afspeelde in ‘een uithoek van Europa’,45 maar waarvan de geïnformeerde en ontwikkelde burger in Genua wist dat het ook voor de stadsrepubliek van groot belang was.

De actualiteit van het Twaalfjarig Bestand in Genua in Costa’s Ragionamento

Niet alleen in de landen die direct betrokken waren bij de ontwikkelingen in de Nederlanden keek men met veel belangstelling naar de uitkomsten van de onderhandelingen in Den Haag en Antwerpen. Vertalingen van de bestandsartikelen vonden hun weg door heel Europa. Pompeo Giustiniani bijvoorbeeld voorzag het Italiaanse lezerspubliek van actuele informatie door de bestandsartikelen in Italiaanse vertaling achterin in zijn geschiedwerk over de Opstand uit 1609 op te nemen.46 In hetzelfde jaar verscheen een Latijnse editie van Van Meterens geschiedenis over de Opstand waarin de onderhandelingen en resultaten van het Bestand waren opgenomen; zij kon ongetwijfeld ook in Italië worden geraadpleegd.47 Diplomatieke berichten in de vorm van avvisi werden naar het schiereiland overgebracht en de laatste wederwaardigheden van het akkoord vonden via vlugschriften en brieven hun bestemming in onder andere Genua. Vanuit Antwerpen hielden de Genuese kooplieden hun zakelijke relaties en familie in Genua ongetwijfeld op de hoogte van de situatie in de Lage Landen. Het laatste nieuws over politieke en militaire zaken bereikte de Genuezen ook door middel van met de hand geschreven nieuwsbulletins (gazzette). Schepen die de haven van Genua binnenvoeren, brachten vanuit de Nederlanden het laatste nieuws. Zowel de stedelijke autoriteiten als de kooplieden in Genua hadden er alle belang bij geïnformeerd te worden over de actuele verwikkelingen tussen de Habsburgers en de Republiek.48

Het marktaandeel van de Genuese gemeenschap in Antwerpen bleef na de afsluiting van de Schelde in 1585 aanzienlijk. Een openstelling van de Schelde, als eventueel resultaat van de onderhandelingen in Den Haag, zou positieve gevolgen kunnen hebben voor de Genuese handel in het noordwestelijk deel van Europa. Vanaf het begin van de zestiende eeuw namen de Genuese handelslieden in Antwerpen een belangrijk deel van de handel voor hun rekening en was de Genuese natie de grootste buitenlandse kolonie in de Scheldestad. De Genuese kooplieden handelden vooral in luxegoederen; openstelling van de Schelde zou daarom een groei van hun handelsactiviteiten hebben betekend en verdere uitbreiding van hun handel met de Republiek zou Genua geen windeieren hebben gelegd. Handel in luxestoffen, oosterse kruiden, fruit en wijn was overigens niet de enige activiteit van de Ligurische handelaren. Langzamerhand speelden zij aan het einde van de zestiende eeuw een steeds grotere rol in het verlenen van kredieten aan de Spaanse vorst, die in sommige periodes dringend geld nodig had om zijn aanzienlijke leger in de Nederlanden te onderhouden.49 Sommige van de aanzienlijke heren in het verhaal van Costa hadden ongetwijfeld directe financiële belangen in Antwerpen en aan het Spaanse hof. De Genuese bankiers hielden daarom vanuit hun thuisbasis de ontwikkelingen in de Nederlanden scherp in het oog en zij waren ongetwijfeld gretig afnemer van het binnenkomende nieuws. In 1607 waren de Genuese financiers echter getroffen door een Spaans bankroet waardoor zij een deel van hun uitstaande kapitaal geblokkeerd zagen.50

Hadden de Genuese bankiers zo hun eigen redenen om het nieuws uit de Nederlanden op de voet te volgen, dan gold dat ook voor de plaatselijke kooplieden en scheepsreders. Zij waren zeer benieuwd naar de resultaten van het Bestand die van invloed konden zijn op de handelsbelangen van beide partijen. De overeenkomst kon ook consequenties hebben voor de handelsbelangen van Genua. Men was op de hoogte dat de Spaanse vorst aan de vooravond van de onderhandelingen de stopzetting had geëist van de Nederlandse handelsactiviteiten naar zowel Oost- als West-Indië, in ruil voor de onafhankelijkheid van de Republiek voor de duur van het Bestand.51 In het Bestandstraktaat was vooral artikel vier van belang voor de handelsbelangen voor de Spaanse gebieden en satellietstaten. Binnen Europa zouden de ingezetenen van beide landen vrij mogen reizen en handel drijven binnen de landsgrenzen van de andere partij. De bescherming van de handel zou zowel gelden voor activiteiten op rivieren en zeeën als op land. In de Spaans-Habsburgse landen gold dat echter alleen voor die streken, waar inwoners van andere, bevriende mogendheden mochten komen.52 Deze bepaling bood de Genuese kooplieden mogelijkheden om hun activiteiten uit te breiden naar gebieden die voordien door de oorlogssituatie moeilijker te bereiken waren voor hun schepen. Later zou blijken dat de handel op Antwerpen belemmerd zou blijven door opgeworpen hindernissen aan republikeinse zijde.53 Bovendien zou weldra blijken dat vooral de Nederlanders baat hadden bij de uitkomsten van het Bestand. Tot aan het aflopen van het Bestand in 1621 profiteerden de Nederlandse scheepvaart én handelaren van de openstelling van de Spaanse markten.54 Vanaf 1591 werden de Genuese havenautoriteiten geconfronteerd met de Nederlandse zeemacht door de komst van Nederlandse schepen die in eerste instantie graan aanvoerden en later ook andere producten naar Genua brachten. De Nederlandse ‘straatvaart’ domineerde de handel in het Middellandse Zeegebied tot 1621 toen het Bestand ten einde liep en overtrof de Italiaanse handelsactiviteiten. Het succes van de Nederlandse handel en scheepvaart leidde in de Ligurische Republiek tot allerlei vruchteloze initiatieven met het doel de Nederlanders te imiteren.55

In de dialoog wordt niet rechtstreeks over de commerciële belangen van Genua gesproken. In het laatste deel van het betoog wordt de verwachting uitgesproken dat de vrede voordeel zou brengen, maar er wordt geen rechtstreeks verband gelegd met de commerciële en financiële belangen van de Genuese handelselite. Het gesprek draait toch vooral om het wel of niet juiste beleid van de Habsburgers. De vorsten hadden met het ondertekenen van het Bestand verstandig gehandeld zoals goede leiders dat behoren te doen. Zoals we eerder zagen worden er tijdens de gesprekken kritische noten gekraakt over het Spaans-Habsburgse beleid in de Nederlanden en over sommige uitkomsten van het Bestand. Maar aan het einde van de bijeenkomst worden de lovende woorden van de afsluitende spreker aan het adres van de aartshertogen door ieder van de aanwezigen onderschreven. In Costa’s traktaat overheersen de bewondering voor de vredesinspanningen van Filips III maar bovenal de bijdrage van de aartshertogen aan het Bestand.56

Het ligt dan ook voor de hand om het betoog te beschouwen als een Habsburgs verhaal. De resultaten van het Bestand waren ook voor Genua van groot belang en dankzij de inspanningen en het juiste beleid van de Habsburgse vorsten viel de schade voor de stad mee. De christelijke vredespolitiek van de Spaanse vorst en de aartshertogen brachten rust en vrede in Europa en kwam de handel ten goede. Toch is de vraag hier gerechtvaardigd of achter dit verhaal waarin de vredespolitiek van de Habsburgse vorsten wordt bewierookt geen ander verhaal verborgen zit.

Zoals we hierboven zagen, benadrukt de schrijver de zegeningen van rust en orde voor de handel. Met zijn positieve woorden over bewonderenswaardige eigenschappen van de Republiek op het gebied van handel en scheepvaart, verwijst Costa natuurlijk ook naar de positie van Genua als belangrijke havenstad met zijn internationale handelsactiviteiten en financiële infrastructuur. De stadstaat Genua was niet gegrondvest op een sterk leger en grootgrondbezit zoals dat in andere staten het geval was. Het fundament van de beide republieken lag vooral in de buitenlandse handelsactiviteiten en kapitaalverstrekking in de vorm van leningen. Beide republieken waren gebaat bij een bloeiende handel waarin eigenlijk geen plaats was voor oorlog. De dynamiek van beide staten was gebaseerd op commercieel republikanisme en afwijzing van oorlogsgeweld.57

Maar dat republikanisme in Holland en Genua stond vooral in het teken van eigenbelang, want beide staten verdienden goed aan de Europese oorlogen. De verschillen tussen beide republieken zijn misschien net zo opmerkelijk als de overeenkomsten. Men denke, bijvoorbeeld, aan de nadrukkelijke aanwezigheid van de adellijke families in de Genuese regering en de invloed die de (oude) aristocratische families hadden op het Genuese economische en politieke beleid. In de Republiek van de Verenigde Nederlanden was de invloed van de Hollandse adel in de zeventiende eeuw minder groot, hoewel de adel en de stedelijke regenten in sommige plaatsen de bestuurlijke elite vormden. Maar het waren toch vooral de stedelijke regenten van burgerlijke afkomst die voor de goede verstaander sterk het beleid bepaalden in Holland.58

Costa verwijst in zijn werk impliciet naar discussies die vanaf het begin van de zeventiende eeuw werden gevoerd naar aanleiding van de vraag of Genua over een eigen vloot moest beschikken. In zijn Ragionamento haalt de auteur de kwestie aan van de vrije vaart op de wereldzeeën. De discussie tijdens de bestandsonderhandelingen ging, zoals we hierboven al opmerkten, voor een deel over de handel met gebieden in Indië. De Spaanse vorst had gehoopt dit onderwerp in zijn voordeel te kunnen binnenhalen. Maar de afgevaardigden van de Republiek wisten dit onderwerp uit het Bestand te houden. Het bezit van een eigen Genuese handelsvloot in samenhang met een vrije toegang tot alle wereldzeeën zou in Genua tot een belangrijke kwestie uitgroeien. De passage in de dialoog die betrekking heeft op Mare liberum van Hugo Grotius is dan ook te herleiden tot de behoefte in Genua om over een eigen vloot te beschikken en de (latere en mislukte) plannen tot het oprichten van een handelscompagnie naar het voorbeeld van de Nederlandse voc.59 Het feit dat Costa zijn personage in het betoog laat verwijzen naar Grotius’ denkbeelden, toont aan dat de Genuese auteur uitstekend op de hoogte was van recente literatuur. Het bijna letterlijk citeren uit Mare liberum toont aan dat Costa’s sympathie in deze politiek delicate zaak uitging naar de Republiek der Verenigde Provinciën. Dit ‘statement’ van Costa is vooral opmerkelijk omdat juist de kwestie van de vrije vaart en handel aan het Spaans-Habsburgse hof zeer gevoelig lag. Mare liberum is dan ook een aanval op de aanspraken op exclusiviteit van de Spaans-Habsburgse kroon in de Indiën.60 De veroveringen van belangrijke specerijeneilanden in 1605 door de voc betekenden een keerpunt van de machtsverhoudingen in de Oost-Indische gebieden, tot ontzetting dus van het Spaanse hof.

De sterkte van de Genuese zeevloot was altijd gebaseerd geweest op de beschikbaarheid van galeien in particulier bezit die het stadsbestuur kon inzetten wanneer dat nodig was. De Genuese rederijen stonden echter ten dienste van het Spaans-Habsburgs imperium en het debat dat rondom de eeuwwisseling in de stad plaatsvond had betrekking op de vraag of Genua niet zijn eigen bewapende zeevloot moest stichten, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de Habsburgers.61 Aan deze wens lagen in eerste instantie financiële motieven ten grondslag, maar de kwestie was ook verbonden met de positie van Genua binnen het Spaanse imperium. De memoires, geschriften, betogen en anonieme brieven, geschreven naar aanleiding van de discussie over het oprichten van een eigen vloot, illustreren de polemische strijd in de stad tijdens de eerste decennia van de zeventiende eeuw.62 Terwijl het Genuese bestuur zweeg over deze zaak, ontstond er in de stad een levendig debat dat terug te vinden is in (meestal ongepubliceerde) anonieme geschriften. Een voorbeeld van zo’n geschrift is de Trattato delle armi marittime genovesi (Vertoog over de Genuese marine). In dit document schaart de anonieme schrijver zich achter het idee van de herbewapening van de vloot. Aan de hand van de verschillende standpunten zoals die in de polemiek over dit onderwerp naar voren kwamen, onderzoekt de opsteller van het geschrift de voor- en tegenargumenten die in de stad leefden. Om zijn eigen standpunt, het idee van een eigen vloot, te ondersteunen verwijst de schrijver naar Holland.63 Want dit ‘kleine en onvruchtbare gewest dat al jarenlang zich staande weet te houden tegen de Spaanse vorst’ had meer te danken aan zijn zeemacht dan aan de sterkte van zijn landleger. De auteur stelt dat nietige Holland ten voorbeeld aan Genua want het toont aan dat een land dat de noodzakelijke grondstoffen ontbeert, zoals hout voor de schepen, in staat is ‘om meer dan 5000 schepen’ in de vaart te houden en alle zeeën te bevaren.64

In het Genuese debat stonden natuurlijk de commerciële belangen van de stad centraal en in samenhang daarmee de positie van de stadsrepubliek tegenover de Habsburgse hegemonie in de havenstad. De economische en politieke afhankelijkheid van de stadsrepubliek ten opzichte van Spanje was groot. De verdediging van de stadsrepubliek was geheel afhankelijk van de Habsburgers. Voor het Habsburgse imperium was op zijn beurt de haven van Genua van grote betekenis voor zijn militaire aanwezigheid in het Middellandse Zeegebied. De verbindingen met het achterland en vooral met het hertogdom van Milaan waren voor de Spaanse vorsten essentieel en dat gold natuurlijk ook voor de broodnodige financiering van hun schatkist door Genuese bankiers. Beide staten, kortom, waren op elkaar aangewezen.65

Conclusie

De Nederlandse Opstand tegen de Spaanse-Habsburgse Kroon wordt in de hedendaagse historiografie als een internationale oorlog gezien. Het beeld van een oorlog met internationale reikwijdte bestond al in de zestiende en zeventiende eeuw. De geschiedwerken die in verschillende taalgebieden verschenen, zijn daar een afspiegeling van. Om verschillende redenen bestond ook in Italië veel interesse voor de Opstand in de Nederlanden. Een belangrijke achtergrond voor deze aandacht was het feit dat op het Italiaanse schiereiland de Habsburgers bezittingen hadden of in verschillende (stad)staten politieke en economische invloed uitoefenden. Het nieuws van de ontwikkelingen in de Nederlanden werd in de Habsburgse domeinen en satellietstaten op de voet gevolgd. Het vertoog van de Genuese schrijver Giovanni Costa past dus in de reeks van voornamelijk zeventiende-eeuwse Italiaanse teksten over de Opstand. Deze geschiedenissen waren grotendeels (maar niet altijd) pro-Habsburgs; ook het traktaat van Costa lijkt een filo-Spaans verhaal. De tekst staat kritisch tegenover de rebellen die onder invloed van ketterse denkbeelden volgens pro-koninklijke bronnen rampspoed brachten in de Nederlanden. Maar hoewel het werk van Costa zich focust op de ontwikkelingen van de Opstand in de Nederlanden en de loftrompet steekt over de politiek van de Habsburgse vorsten, wijkt zijn boekwerkje van niet meer dan zestig pagina’s toch af van de doorgaans chronologische geschiedenissen van zijn Italiaanse collega’s. De vorm waarin het verhaal van de Opstand wordt verteld, heeft een heel andere opzet dan de gebruikelijke geschiedwerken. De auteur koos voor de dialoog en in de gesprekken komen de gebeurtenissen van de Opstand ter sprake. De keuze voor de dialoog was op zich niet vreemd; veel werken die in Genua verschenen of onuitgegeven in archieven en bibliotheken bleven liggen zijn, naar het voorbeeld van schrijvers uit de klassieke oudheid, in deze literaire vorm geschreven. De dialoogvorm gaf de schrijver mogelijkheden om zaken te zeggen die in de gebruikelijke vorm van een geschiedwerk niet mogelijk waren geweest.

Hoewel Costa een politiek getint historisch werk schreef over een Nederlands onderwerp, was zijn Ragionamento vooral gericht op de lokale politieke situatie. De factiestrijd in de Ligurische stadstaat die zich tientallen jaren voortsleepte tot ver halverwege de zeventiende eeuw maakte het in sommige perioden moeilijk om openlijk kritiek te leveren op het republikeinse stadsbestuur, dat grotendeels bestond uit leden van de oude adel. Bepaalde opmerkingen moesten dus achterwege blijven en konden niet gezegd worden. ‘Avonturiers met de pen’ zochten hun toevlucht tot het schrijven van manuscripten die vermenigvuldigd in de stad hun weg vonden. Vaak waren deze manuscripten anoniem. Costa vond een andere manier om zaken te zeggen. Zijn verhandeling kon gedrukt worden, omdat zijn werk over een ver onderwerp ging en de dialoogvorm hem de mogelijkheid gaf om op een omfloerste wijze via anonieme personages heikele onderwerpen aan te snijden. Zijn omstandige lofprijzingen aan het adres van de Spaans-Habsburgse vorsten deden het verdere werk om zijn boek zonder problemen uit te brengen.

Het traktaat van Costa past in het beeld van Genua tijdens de onrustige periode uit de eerste decennia van de zeventiende eeuw. Er was toen veel weerstand tegen de heersende oude aristocratie en dat verzet uitte zich in talloze (anonieme) publicaties of in handgeschreven werken die circuleerden in kringen van de oppositie. Veel van deze werken waren niet rechtstreeks tegen de persoon van de Spaanse vorst gericht, maar bekritiseerden wel de invloed van de Habsburgers op de Genuese handel en koopvaardijvloot. Uit de inhoud spreekt in Ragionamento vooral het streven van de oppositie in Genua naar meer economische en militaire zelfstandigheid, en stelt de vraag op welke wijze de eigen belangen van de Genuese republiek konden worden beschermd tegen een te grote invloed van de Habsburgse monarchie. De uiteenzetting van de derde spreker in de dialoog is daarvan een voorbeeld. De Spaanse vorst verlaten, zoals de Noordelijke Nederlanden dat hadden gedaan, was geen politieke realiteit voor de Genuezen, ook niet voor Giovanni Costa. Maar de auteur laat zijn verwondering over en bewondering voor de Republiek via de genuanceerde woorden van zijn derde spreker duidelijk blijken. De oplossing van het probleem in Genua was te vinden in het Hollandse model: de grote handelsvloot en het wereldwijde handelsnetwerk. Bovendien moet het commerciële republikanisme in Holland en Zeeland de voorstanders van een nieuwe handelsvlootpolitiek in Genua zeer hebben aangesproken. De Republiek was hét voorbeeld voor in ieder geval een deel van de Genuese elite en de middenklasse. In de context van de actuele internationale en binnenlandse situatie was het ook een middel om in eigen land een discussie aan te zwengelen over de politieke en economische problemen die zich voltrokken onder de paraplu van de Spaans-Habsburgse monarchie.