De redacteuren van Musical Cultures and Urban Societies in the Southern Netherlands and Beyond stellen dat het belangrijkste doel van deze bundel is om bij te dragen aan het begrip van muziek in de stedelijke samenleving in West-Europa gedurende de late zeventiende en achttiende eeuw. Dit doen zij door verschillende perspectieven te integreren: muziekwetenschap, geschiedenis, theaterwetenschap en literaire kritiek in het bijzonder voor wat betreft de Zuidelijke Nederlanden. Muzikale reisverslagen, zoals het beroemde boek van Charles Burney The present state of Music in Germany, the Netherlands, and United Provinces (London 1775) geven volgens de redacteuren van deze bundel maar een beperkt beeld van het muzikale leven dat beschreven wordt. Zulke verslagen zijn volgens hen gekleurd door hun retorische en subjectieve voorkeuren. Dat zal waar zijn, maar ook geven ze in verschillende opzichten een interessant beeld van de manier waarop een buitenlander onze cultuur waarnam. Een voorbeeld is de veelzeggende titel van het reisverslag dat Heinrich Ludolf Benthem in 1698 publiceerde: Holländischer Kirch- und Schulen -Staat.

In de bundel werken de auteurs vanuit een vrij recente methode die bekend staat als urban musicology, dat wil zeggen dat men muziek en musiceren wil verstaan vanuit de stedelijke omgeving en identiteit. Verschillende bijdragen in dit boek richten zich dan ook op bepaalde steden, terwijl andere grotere gebieden analyseren. De artikelen zijn gegroepeerd rond drie thema’s: 1. The urban stage, 2. The church and the streets en 3. private music.

In het eerste deel beschrijft Timothy de Paepe de opera in Antwerpen in de periode tussen 1682 en 1794. Deze werd gedomineerd door de Franse opera, omdat Antwerpen in die tijd op allerlei terreinen een voorkeur had voor de Franse cultuur. Deze voorkeur hield niet alleen in dat Franse opera’s werden uitgevoerd, maar leverde ook een nieuw verschijnsel op: Nederlandse libretti, geinspireerd door Franse voorbeelden en voorzien van nieuwe composities. Zo bleek er niet alleen sprake te zijn van imitatie, maar ook van actieve transformatie. Rudolf Rasch analyseert de vertalingen van opera’s in de Nederlandse Republiek. Naast Nederlandse vertalingen waren er in het Duits vertaalde opera-comiques, die bijvoorbeeld uitgevoerd werden in de Duitse theaters van Amsterdam. Er waren voor- en tegenstanders van vertaalde opera’s. Daarbij speelde onder andere het probleem van plaatsing van een Nederlandse tekst onder een Franse melodie een rol van betekenis, maar ook het niveau van de vertaler in vergelijking met de auteur van de originele tekst. Vertalingen maakten het mogelijk om de Franse opera voor een breder publiek toegankelijk te maken en voorzagen tegelijk in het gebrek aan originele Nederlandse opera’s. Bruno Forment behandelt de opera in Rome waarbij het aspect van auto-celebration een belangrijke gegeven is, met als voorbeeld de opera Attilio Regolo op een libretto van Pietro Metastasio (1753). Hiermee beantwoordt dit artikel duidelijk aan het boven omschreven doel van deze bundel: de lieux de mémoire van Rome, geactualiseerd voor een achttiende-eeuws publiek.

De bijdrage van Stefanie Beghein in het tweede deel richt zich op een tamelijk onontgonnen terrein, namelijk de muziek bij begrafenissen te Antwerpen in de periode 1650-1750. De onderzoeksvraag is in hoeverre de gegevens die bekend zijn over Luthers Duitsland van toepassing zijn op andere geografische en confessionele contexten. Haar onderzoek toont dat de waardering voor uiterlijk vertoon bij begrafenissen in de zeventiende eeuw het componeren en consumeren van muziek heeft gestimuleerd. Echter, gedurende de tweede helft van de zeventiende eeuw en rond 1700 neemt de versobering toe, mede als gevolg van economische teruggang. Het vertoon beperkte zich tot een kleine bovenklasse. Het onderzoek bevestigt wat uit andere bronnen bekend is. Beghein concludeert dat nader en vergelijkend onderzoek nodig is om nauwkeuriger te kunnen vaststellen welke relatie er is tussen de muziek in de begrafeniscultuur in Antwerpen en de sociale, culturele, religieuze en economische context. Eugeen Schreurs richt zich in hetzelfde deel op de kerkmuziek en de muziek van minstrelen in de achttiende eeuw. Het ontbreken van bronnen is voor dit onderwerp een fundamenteel probleem. Ten aanzien van de orgelmuziek stelt hij vast dat daar een onverwacht grote invloed van profane muziek te zien is. Die constatering van Schreurs is in overeenstemming met besluiten van synoden, die het gebruik van profane muziek in de liturgie structureel trachtten te verbieden. Die invloed is overigens als vroeg zichtbaar: de oudste orgelmuziek uit de Noordelijke Nederlanden die we kennen, de Winsumer orgeltabulatuur, laat ook al profane invloed zien. De conclusie van het artikel, namelijk dat er geen strikte scheiding tussen wereldlijke en geestelijk repertoire bestond is, staat niet ter discussie. Schreurs acht het wenselijk dat een vervolgonderzoek zich richt op de perceptie van de luisteraars en op de stilistische veranderingen bij de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw en de veranderingen in de uitvoeringspraktijk. Tanya Kevorkian onderzoekt het lied in de steden: wie het zong, waar, wanneer en hoe en richt zich op het Lutheranisme in Duitsland. Zij beschrijft een kerkelijke situatie die we ook uit de Nederlanden kennen met een desperaat kerkgezang. Kevorkian hecht echter weinig waarde aan de bronnen: die zijn volgens haar afkomstig van universitair geschoolde auteurs die weinig op hadden met gemeentezang. Op dit punt verschil ik fundamenteel van mening: ook niet universitair geschoolden en insiders op het terrein van de kerkmuziek schetsen een zelfde beeld, niet alleen in Duitsland maar ook in Nederland. De gegevens rond de invoering van de “korte zingtrant” in Nederland bevestigen het beeld van een desperaat kerkgezang. Te denken is aan de gedetailleerde beschrijving in een preek van Petrus Hofstede (1716-1803), gehouden in de Laurenskerk te Rotterdam.

Tot slot het derde deel. Daarin behandelt Anne-Madeleine Goulet de muzikale praktijk in de Parijse salons aan het einde van de zeventiende eeuw, in het bijzonder de liederen die verschenen als chansons, chansonnettes en brunettes. Haar bronnen zijn de lang veronachtzaamde liederen die door Pierre en Robert Ballard werden gepubliceerd. Haar onderzoek brengt aan het licht dat de rol van musici en dichters overal in de Parijse samenleving present was. Louis Peter Grijp heeft in deze bundel een artikel gewijd aan de Nederlandse liedboeken voor de stedelijke jeugd in de achttiende eeuw en richt zich op de minder bekende publicatie: Apollo’s giften. Deze liedboeken werden gebruikt op jaarlijkse feesten zoals Kermesse en Carnaval. Alle lagen van de bevolking namen er aan deel en zo droegen deze liederen bij aan het klanklandschap van de stad in de vroeg moderne periode.

Wanneer we de inhoud van deze artikelen vergelijken met het door de redacteuren beschreven doel van de bundel, is de conclusie dat ze daaraan voldoen, hoewel dat bij een enkel artikel meer indirect het geval is. Het zou waardevol zijn, wanneer dit boek nog eens wordt gevolgd door Music and the Village.