‘O! Vrome Nederlanders. Ghy liep wel (tot noch toe, langhst de rechte baen, u aengewesen van uwe toeghesonden, wettelijcke Overheyt) wie heeft u belet, der waerheyt niet onderdanigh te zijn?’ schreef de jezuïet Franciscus Mijleman aan het slot van zijn Vast ende klaer bewys (1661). Mijleman was een Bruggenaar, maar sinds eind jaren dertig werkzaam als missionaris in de Groninger Ommerlanden. Zijn pastorale taken eisten jarenlang al zijn aandacht op, maar toen hij zich op zijn oude dag terugtrok op de borg Holwinde bij Uithuizen vond hij tijd om binnen enkele jaren tijd maar liefst zes polemische geschriften te vervaardigen. Daarmee probeerde hij zowel protestantse lezers terug te winnen voor de Moederkerk, als het geloof van katholieke lezers te versterken. De geciteerde passage doet een beroep op de gemeenschappelijke geschiedenis van het lezerspubliek: Mijleman verbindt de Nederlandse identiteit met de katholieke kerk en het Spaanse gezag, in plaats van met die opstandige geuzen en hun nieuwe protestantse geloof.

In de recente geschiedschrijving is volop aandacht voor het multiconfessionele karakter van de Nederlanden en het voortbestaan van katholieke identiteiten in de Republiek. In de voetsporen van Willem Frijhoff wordt dikwijls gewezen op de ‘pragmatische omgangsoecumene’ tussen de confessies in de Republiek: sociale en economische contacten bewogen zich gemakkelijk over geloofsgrenzen heen, zoals ook liedjes, vroomheidsboekjes en religieuze schilderijen door gelovigen uit verschillende denominaties gebruikt konden worden. Dat die interconfessionele uitwisseling allerminst grenzeloos was en het klimaat niet zonder meer tolerant, is bekend. Charles Parkers studie Faith on the Margins (2008) belichtte bijvoorbeeld de beperkingen die de katholieke wereld ervoer. Maar de verhalen over de omgangsoecumene en grensoverschrijding klonken in de recente historiografie luider en vaker dan die over onderdrukking en agressieve confessionalisering. Controversen in Context, de handelsuitgave van het proefschrift van historicus Joep van Gennip, is daarom een welkome aanvulling op het bestaande onderzoek naar de religieuze cultuur van de Republiek: het wijdt ons in de spannende wereld van de polemieken van jezuïetenmissionarissen in. De studie laat ons kennismaken met fanatieke, mediawijze populisten die de drukpers benutten om hun boodschap te verspreiden en snel doch fel hun tegenstanders in pittige kettingpolemieken te overtroeven. Tegenstanders werden niet gespaard; met ‘schuttingtaal en krachttermen’ (Van Gennips woorden, p. 252) werd rijkelijk gestrooid.

De polemische jezuïeten in Van Gennips studie waren allen spelers in de Missio Hollandica Societas Iesu, die haar aanvang nam toen Noord-Nederland in 1592 officieel tot missiegebied werden uitgeroepen. Vanaf dat moment werden systematisch jezuïeten naar verschillende steden en gebieden in de Republiek gezonden, met een tweeledige opdracht: zij moesten katholieken ondersteunen en hun geloof versterken, maar ook protestanten bekeren. Van Gennip legt bloot welke strategieën de jezuïeten in hun controversepublicaties inzetten om die twee taken te combineren. Hij focust daartoe op negen missionarissen die verschillende functies bekleedden binnen de Missio Hollandica: sommigen werkten langdurig in de Republiek, anderen maar tijdelijk en een laatste groep opereerde uitsluitend vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Uit de analyses blijkt dat zij protestanten en katholieken veelal gelijktijdig bedienden via een ‘rationele en op gezaghebbende bronnen leunende uiteenzetting van het katholieke geloof’ (p. 694), die de lezers actief betrok in het ‘lees- en denkproces’ (p. 692). Van Gennip legt deze werkwijze uit als een poging tot aanpassing aan de specifieke Noord-Nederlandse context, waarin de katholieken noodgedwongen een actieve functie vervulden in het behoud van het eigen geloof en waarin zij protestantse geluiden niet konden negeren maar met een rationeel tegenverhaal moesten pareren: ‘De opgedane geloofskennis, alsmede de publicaties konden vervolgens door de geloofsgenoten verder worden verspreid, hierdoor werd de actieve lekenparticipatie in de Republiek één van de belangrijkste strategieën van de jezuïetenorde’ (p. 694).

Eén van de grootste krachten van deze studie is de brede geografische scope: terwijl studies over de religieuze cultuur in de Republiek vaak Holland en Amsterdam centraal stellen, volgen we hier ook Paulus van den Berghe die vanuit het veel minder verdraagzame Friesland de bestseller Kort onderwys in het recht geloof breed wist te verspreiden, en Godefridus Wandelman, wiens aansporing tot actief bekeringswerk in het co-confessionele Maastricht veel beter kon landen dan elders in de Republiek. Zo laat Controversen in Context goed zien hoe sterk het religieuze klimaat gekleurd werd door lokale omstandigheden en hoe anders de verstandhoudingen tussen en binnen confessies (jezuïeten versus seculieren, jansenisten) waren in de verschillende uithoeken van de Noordelijke Nederlanden.

Helaas heeft dit boek sterk te lijden onder de zwaarte. Een bewonderenswaardig streven naar volledigheid en degelijkheid heeft geresulteerd in een studie van maar liefst 800 pagina’s, waarin uitvoerig voor elke auteur levensloop, context en oeuvre in kaart worden gebracht. Alle polemische geschriften worden systematisch beschreven in terugkerende categorieën: inhoud en opzet, argumentatie en doelgroep van het geschrift, stijl en genre, contextuele en tijdgeboden aanwijzingen. De focuspunten, uitgebreid doordacht en verantwoord in de 75 pagina’s tellende inleiding, zijn allemaal goed verdedigbaar binnen de omschreven doelstellingen, maar zouden beter hebben gefungeerd als kapstok in het onderzoeksproces dan als raamwerk voor een handelseditie. Nu volgt de lezer van Controversen in Context alle denkstappen van de onderzoeker: ‘Wij hebben uitvoerig stil gestaan bij de veranderende religieuze situatie in de Lage Landen […]. Het is nu tijd om deze lijnen met elkaar in verbinding te brengen’ (p. 64). Stapsgewijs ziet de lezer lijnen en patronen ontstaan, die via veelvuldige tussentijdse conclusies en samenvattingen worden bevestigd, en uiteindelijk samenkomen in een wederom uitvoerige slotbeschouwing. Het had de lees- en bruikbaarheid van deze studie enorm vergroot als het betoog meer op de voorgrond had gestaan en de angst om te snoeien beter was beteugeld. Een dunner boek was ook zorgvuldiger af te werken geweest op het gebied van spaties, stijl en spelling. Bovendien had een scherpere betooglijn kunnen uitnodigen tot diepgravender analyses: de uitputtende inventarisatie van alle onderdelen van een geschrift gaat regelmatig ten koste van de analytische en interpretatieve diepgang.

Inhoudelijk roept de strikte focus op polemische geschriften vragen op. Franciscus Mijleman maakte behalve controverseteksten ook liederen die volgens Van Gennip een ‘belangrijk instrument waren om het geloof onder de – vaak ongeletterde en eenvoudige – boeren uit te dragen en te consolideren’ (p. 553). Gerardus Otthonis schreef meer vroomheidsgeschriften dan polemische teksten en oogstte met die vrome teksten bovendien veel meer succes (p. 636). Voor deze niet-polemische producten van de onderzochte jezuïetenmissionarissen is echter nauwelijks aandacht. Natuurlijk moet een onderzoeker afbakenen, maar kunnen devotiegeschriften en liedjes uit beeld worden gehouden als ze zo cruciaal en zichtbaar waren in het missiewerk van de jezuïeten? Als op de slotpagina’s geconcludeerd wordt dat ‘de jezuïeten zich onvoldoende gerealiseerd [lijken] te hebben dat het merendeel van de potentiële bekeerlingen zich minder liet leiden door (puur) rationele argumenten, maar ook, en waarschijnlijk in sterkere mate, door emotionele gevoelens’ (p. 694), rijst de vraag of het nu inderdaad de jezuïeten waren die hun focus te sterk op rationele polemieken legden, of eerder de onderzoeker.