Weinig zeventiende-eeuwers kennen we zo goed als de schoolmeester David Beck. Dat hebben we te danken aan zijn dagboek over het jaar 1624, dat in 1993 is uitgegeven door Svend Veldhuijzen in de serie Egodocumenten van Uitgeverij Verloren. Waar Becks tijdgenoten zich in hun dagboeken doorgaans beperkten tot losse notities over historische gebeurtenissen, biedt Beck in korte verhalen zicht op zijn alledaagse persoonlijke leven: zijn lees- en schrijfpraktijken, sociale contacten, muzikale activiteiten en school aan huis. Dankzij de rijkheid aan thema’s groeide het dagboek uit tot een geliefde bron voor historici, boekhistorici, letterkundigen en muziekwetenschappers. Voor mij als historisch letterkundige illustreert Becks dagboek bovenal hoe alomtegenwoordig literatuur was in het leven van alledag: Beck schreef en las brieven en gedichten, converseerde over literatuur, zong liedjes en stuurde afschriften van teksten rond. Literatuur was in de zeventiende eeuw een sociaal bindmiddel, een cognitieve slijpsteen en een interactieve media-ervaring – en niemand laat ons dat zo mooi zien als Beck.

Het is een feest voor de zeventiende-eeuw-studie dat nu een tweede en al even rijk dagboek van Beck is uitgegeven in dezelfde serie Egodocumenten. Dit dagboek over de jaren 1627–1628, opgedoken in 2011 op een veiling en aangeschaft door het Geldersch Archief, is geëditeerd door Jeroen Blaak, die eerder al Becks lees- en schrijfpraktijken beschreef (Geletterde levens, 2004). De transcriptie gaat gepaard met een heldere inleiding, notenapparaat en bijlagen, die inzicht bieden in Becks sociale en financiële situatie. Mede dankzij de kasboeken en de brievenadministratie die Beck in zijn dagboek opnam, kon Blaak vele waardevolle gegevens presenteren over Becks briefverkeer en zijn (betaalde) schrijfopdrachten.

In dit tweede dagboek van Beck maken we kennis met een nieuw stukje van zijn leven. Waar Beck in 1624 in Den Haag een eigen schooltje aan huis runde, was hij inmiddels door het stadsbestuur van Arnhem aangesteld als Franse schoolmeester. We volgen zijn strijd tegen een illegale schoolmeester-concurrent en lezen over de maaltijden in zijn Arnhemse kostgezin. Er blijkt ook ruimte voor een nieuwe liefde: terwijl Beck in 1624 rouwde om zijn net overleden Roeltje, droomt hij nu van S.V.D. en stuurt hij minnebrieven naar C.B. De lezer is getuige van de ontluikende relatie met Geertruijt Noot, met wie hij in 1630 zal trouwen: Beck schrijft over de vele gedichten die hij over haar schreef, de ‘hete kuskens in de maneschijn’ (03–10–28) en haar zo weigerachtige vader.

Maar bovenal is Mijn voornaamste daden en ontmoetingen een hernieuwde kennismaking met de ons al vertrouwde Beck. We volgen de Beck die Cats en Ronsards las, intensief met vrienden correspondeerde, en vele gedichten schreef, kopieerde, voorlas en rondstuurde. Het dagboek toont opnieuw een zeventiende-eeuws leven doordrenkt van literatuur: ‘Ick schreef … ende dichtede tot 1,5 uijr inder nacht’ (25–05–27).