De bijdragen in dit tweede nummer van De Zeventiende Eeuw vloeien voor het grootste deel voort uit het congres ‘De zingende Nederlanden’, dat op 24 augustus 2013 in de Koninklijke Bibliotheek plaatsvond. Vanuit diverse invalshoeken benaderen de auteurs de vroegmoderne liedcultuur in zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Zij laten daarmee overtuigend zien dat zeventiende-eeuwse liederen functioneerden als emotionerende, identiteitsvormende en opiniërende media.

Els Stronks bijt het spits af met haar vernieuwende onderzoek naar de rol van jeugdliederen als vehikel voor kennisoverdracht. Een corpus van maar liefst 44.000 liederen met kennis over typisch jongerengedrag vormt het uitgangspunt voor een eerste verkenning naar de relatie tussen overdracht van ‘know how’ en liedcultuur.

Dat toneelliederen konden worden ingezet om een zogenaamde emotional community met het publiek te smeden, wordt aangetoond door Olga van Marion en Tim Vergeer. Toneelschrijver Theodore Rodenburgh maakte het publiek ontvankelijk voor zijn politieke boodschap door zijn titelheldin Jacoba van Beieren twee tragische liederen ten gehore te laten brengen.

Hoe kon een liedboek met een streng-christelijke boodschap, geschreven door een predikant met remonstrantse sympathieën, in brede kring populair worden? De verklaring voor de opvallend positieve receptie van Dirk Camphuysens Stichtelycke rymen vindt Riet Schenkeveld-van der Dussen in de aantrekkelijke melodieën die Camphuysen gebruikte.

Aan de hand van liederen uit het unieke Antwerpse verzamelhandschrift Het Mengelmoes, laat Sven Molenaar zien dat er tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) in de Zuidelijke Nederlanden geen eenvormig beeld bestond van Willem III. Afhankelijk van het beoogde doel, werd Willem gehekeld om zijn protestantse religie of juist binnengehaald als een welkome aanvoerder van de gemeenschappelijke strijd tegen de Fransen.

De wisselwerking tussen lied en schilderij staat centraal in het artikel van Michel Ceuterick. In drie van zijn schilderijen heeft Jacob Jordaens een personage afgebeeld met een pamflet in de hand dat verwijst naar het katholieke zegelied Een nieu liedeken van Callo. Door het gebruik van de beleringstechniek van de exempla contraria gaf Jordaens hiermee echter geen katholieke boodschap af, maar ventileerde hij juist zijn protestantse sympathieën.

Het medium schilderijen vormt ook de basis van de bijdrage van Marianne Eekhout – het enige artikel in dit nummer dat niet de vroegmoderne liedcultuur als onderwerp heeft. Zij analyseert hoe en waarom schilderijen van furies geïntegreerd werden in stedelijke herinneringsculturen.

Dit tweede nummer van De Zeventiende Eeuw sluit af met recensies en signalementen.