Het Antwerpse verzamelhandschrift Het Mengelmoes van 1696 bevat enkele teksten en liederen die een unieke kijk geven op Willem III tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) vanuit Zuid-Nederlands perspectief.1 Dat dit onderzoeksterrein nog onontgonnen is, wordt duidelijk door een eenvoudige zoekopdracht in de Nederlandse Liederenbank. Wie er het trefwoord ‘Willem’ ingeeft en zoekt tussen de gevonden liederen uit de tot op heden ontsloten liedboeken uit het laatste decennium van de zeventiende eeuw, zal op niet één lied stuiten dat uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstig is. Het Mengelmoes, als handschrift, kon ontsnappen aan de censuur waar de gedrukte literatuur aan onderworpen werd. De liederen en teksten in deze unieke bron kunnen helpen om de vraag te beantwoorden: welk beeld hing men in de katholieke Zuidelijke Nederlanden op van de protestantse stadhouder-koning Willem III terwijl hij zich inzette voor het voortbestaan van die Zuidelijke Nederlanden?

Het Antwerpse verzamelhandschrift Het Mengelmoes van 1696

Het Mengelmoes is een zeer goed geconserveerd verzamelhandschrift van 360 bladzijden,2 dat wordt bewaard in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen.3 In de boekcassette waarin het handschrift wordt opgeborgen, bevindt zich ook een brief van Prosper Verheyden aan Emile Van Heurck.4 In de brief, die gedateerd is op 8 februari 1917, feliciteert Verheyden Van Heurck met zijn verwerving van Het Mengelmoes. Volgens Verheyden is het handschrift zonder twijfel van Antwerpse origine. Expliciet wordt er in Het Mengelmoes nergens vermeld dat het handschrift in Antwerpen tot stand kwam,5 maar de talrijke teksten die exclusief over Antwerpen handelen en het feit dat de liederen waar er sprake is van andere steden veeleer satirisch van aard zijn, maken het inderdaad zeer aannemelijk dat Het Mengelmoes een Antwerps handschrift is.6

Voor de datering van het handschrift is er wel expliciet bewijs: reeds op de titelpagina staat er geschreven ‘Het Mengelmoes […] Anno1696’,7 en op de laatste bladzijde is er genoteerd: ‘Eijnde van Desen samen gheraepten boeck ende bij een versamelde dinghen. ettcha. Anno 1696’.8 De teksten in Het Mengelmoes dateren dus van ten laatste 1696.9

Het Mengelmoes bestaat feitelijk uit drie delen. Het eerste deel is, zoals de titel van het handschrift het aanduidt, inderdaad een versamelingh van veele hedendaeghsche nieuwe dinghen Met Een deel nieuwghemaeckte Liedekens noijt voor desen in druck gheweest.10 In het totaal bevat dit deel ongeveer tweehonderdvijftig teksten, behorend tot uiteenlopende genres, zoals prozaverhalen, recepten en remedies, tekeningen van bordspelen, raadsels en vraagstukken. Daarnaast bevat het veel gedichten, waaronder sonnetten en een aantal epigrammen, waarvan sommige in het Latijn. Het merendeel van de teksten in het eerste deel zijn echter liederen: 171 in totaal, waarvan er 123 in het Nederlands geschreven zijn.11 De meeste ervan zijn liefdesklachten, maar er bevinden zich ook andere liefdesliederen tussen, alsook geestelijke liederen, gelegenheidsliederen, historieliederen en pornografische liederen.

Het tweede deel van Het Mengelmoes begint op pagina 232, waar de Vrolijcke ende heerelijcke Poëterije […] vertaelt […] uijdt De Fransche in de duijtsche taele Door P.N.D. […] begint.12 Wie P.N.D. was, wanneer hij de vertaling maakte, welke zijn relatie was met de schrijver van Het Mengelmoes, moet nog verder worden onderzocht. Dit deel bevat geen liederen, en de historische gebeurtenissen die in de teksten in dit deel aan bod komen, vonden tientallen jaren vóór 1696 plaats. Het tweede deel eindigt op p. 351, met de mededeling: ‘Eijnde Van desen overghetranslateerden boeck ettcha.’ Daarna is er nog een derde deel dat alleen bestaat uit het prozaverhaal Blij eijndighe vrijagie van Thirsis met de overschoone ende soete Cassandra.13

Alle teksten in Het Mengelmoes zijn door dezelfde hand geschreven, maar wie dat was en wie dus verantwoordelijk is voor de verzameling, weten we niet. Ook de auteurs van de liederen en teksten die de verzamelaar bijeen heeft gebracht, zijn onbekend. Paratekstuele informatie is er nauwelijks. Inhoudelijk zijn er echter een aantal aanwijzingen die kunnen helpen om een profiel van de samensteller van het handschrift op te stellen.14 Ten eerste is hij (of zij) te situeren in Antwerpen, op basis van de vele teksten die hij verzamelde die expliciet over Antwerpen handelen. Ten tweede getuigt zijn tekstselectie van meertaligheid: er zijn Franse en Nederlands teksten, en ook teksten in het Latijn, het Italiaans en het Duits. Ten derde bevat Het Mengelmoes meer dan dertig liederen en teksten die we tot historieteksten kunnen rekenen: ze maken gewag van politieke, militaire en/of godsdienstige gebeurtenissen uit binnen- en buitenland, waar de samensteller dus kennelijk van op de hoogte was en waarvoor hij zich interesseerde. En ten vierde spreekt uit vele teksten een uitgesproken voorkeur voor het rooms-katholiek geloof.15 Welk profiel spreekt hier dan uit? Prosper Verheyden noemde de samensteller/schrijver van Het Mengelmoes een ‘bon patriote à sa manière’:

il transcrit mainte chanson politique favorable au gouvernement étrange […]. Sa nationalité et sa religion se font jour dans le fait qu’il a recueilli mainte pièce contre les réformés; il se réjouit d’ailleurs, avec l’auteur de la chanson ‘verblijt u catholiecken al’, de voir les hérétiques persécutés en Angleterre et en France.16

De samensteller/schrijver van Het Mengelmoes moet dus een welgestelde, katholieke Zuid-Nederlander zijn geweest, die positief stond tegenover het Spaanse bestuur in de Zuidelijke Nederlanden, en een afkeer had van gereformeerde ‘ketters’.

Het Mengelmoes roept nog zeer veel vragen op in verband met de samensteller, de selectie van de teksten en hun functie in het ongecensureerde literaire circuit. Het is de bedoeling dat ik op deze vragen in mijn dissertatieonderzoek een antwoord zal geven.

Onderzoek naar beeldvorming in zeventiende-eeuwse, Zuid-Nederlandse teksten: een stand van zaken

Het onderzoek naar beeldvorming in zeventiende-eeuwse, Zuid-Nederlandse teksten heeft zich tot op heden eigenlijk beperkt tot onderzoek naar de beeldvorming over de Opstand en Tachtigjarige Oorlog. Meijer Drees vatte de stand van zaken als volgt samen: ‘De belangrijkste studies over (strijd)literatuur en geschiedschrijving in het Zuiden lenen zich zonder aanvullend onderzoek onvoldoende voor een uiteenzetting over beeldvorming aldaar.’17 Ze verwijst daarbij naar studies die weliswaar inventarisaties van gangbare beelden geven, maar geen systematische studies vanuit een vraagstelling naar beeldvorming waren.18 Zo vermeldt Maurits Sabbe hoe de klassieke mythe van Andromeda in de Zuid-Nederlandse beeldvorming over de Opstand werd ingezet:

Het was in de 17e eeuw een gewoonte geworden de verhouding van Zuid-Nederland tegenover de Vereenigde Provinciën en tegenover de Spaansche vorsten voor te stellen bij middel van de allegorie van Andromeda, het zeemonster en Perseus […] waarbij de verdrukte, geboeide Andromeda Antwerpen of Brabant was; het dreigende zeemonster, Holland en de ketterij; en de reddende Perseus, de Spaansche landvoogden van wie alleen men het opperste heil verwachtte.19

Jozef Andriessen levert een beeld uit de literaire collegeproductie van de Jezuïeten: in een gedichtenbundel die in 1594 ter ere van de nieuwe landsvoogd, aartshertog Ernest, tot stand kwam, klagen de leerlingen over ‘de deerniswekkende toestand van stad en land: overal puinen en verwoesting, huiver en vrees […]. En de oorzaak van al die ellende is de ketterij. Zij en haar gezellinnen, de eerzucht en de nooit verzadigde hebzucht, vreten als drie leeuwen de éne Nederlandse leeuw aan.’20 In zijn globale analyse van de literaire collegeproductie van de Jezuïeten, zegt Andriessen: ‘Liefde voor het eigen land en volk, trouw aan de roomse Kerk en de natuurlijke prins, fierheid op de Nederlandse traditie en afkeer voor de ketterij: al deze gevoelens openbaren zich onmiskenbaar in deze uitingen.’21

In min of meer dezelfde bewoordingen formuleert Meijer Drees wat ze zelf een ‘globale en nogal voor de hand liggende hypothese’ over beeldvorming in het Zuiden noemt: na de val van Antwerpen (1585) zullen in het Zuiden contrareformatorische en koningsgezinde opvattingen overheerst hebben, die met name tegen het gewest Holland werden ingezet.22 Maar welke beelden, mythen en al dan niet historisch gefundeerde verhalen daarbij een rol speelden, is volgens haar nog onvoldoende in kaart gebracht.23

Deze ‘globale hypothese’ is gebaseerd op onderzoek naar teksten die geschreven zijn vóór de Vrede van Munster (1648). Een al even ‘globale hypothese’ is, dat er na de Vrede van Munster enkele contextuele factoren veranderden die invloed zullen gehad hebben op beeldvorming in Zuid-Nederlandse literatuur. Ten eerste luwde na 1648 immers het contrareformatorisch elan dat de eerste helft van de zeventiende eeuw zo kenmerkte. Bij de Vrede van Munster was de grens tussen het Noorden en het Zuiden formeel bekrachtigd, en bovendien had de Republiek om uiteenlopende redenen nog nauwelijks interesse in een verovering van de Zuidelijke Nederlanden.24 De katholieke propaganda in de Zuidelijke Nederlanden hoefde dus niet langer ingezet te worden tegen de protestantse dreiging uit het Noorden. Dat leidt tot de hypothese dat het strijdbare katholicisme, waarin Vlaams-Brabants als synoniem voor rechtgelovig katholiek werd geplaatst tegenover Hollands als ‘ketters-protestants’,25 in de beeldvorming niet meer nodig was. In dezelfde lijn ligt de hypothese dat de katholieke Zuid-Nederlanders zich niet meer zo nadrukkelijk hoefden te verenigen rond de Spaanse koning en de landvoogden, als kenteken van het katholicisme.

Een tweede grote verandering na 1648 betrof wie de militaire vijand van de Zuidelijke Nederlanden was. Vóór de Vrede van Munster hadden de Zuidelijke Nederlanden te lijden onder de invallen van Staatse legers. De militaire en godsdienstige vijand had dus dezelfde identiteit. De aanwezigheid van Spaanse troepen en de komst van hulptroepen uit het Heilige Roomse Rijk beschermden toen de ruime bestuurlijke autonomie van de Zuidelijke Nederlanden, die gelijkstond aan de mogelijkheid om de eigen, katholieke godsdienst te beoefenen.26 Ook na de Vrede van Munster bleven de ruime bestuursautonomie en het katholicisme de belangrijkste verworvenheden van de Zuidelijke Nederlanden. Maar de grote vijand van die twee verworvenheden was nu niet meer een en dezelfde. De bestuursautonomie werd vanaf 1665 immers bedreigd door de Franse, katholieke geloofsgenoten, die de Zuidelijke Nederlanden in het Franse rijk wilden inlijven.27 Het was nota bene stadhouder Willem III, een protestant, die zich voornamelijk verzette tegen de Franse expansieplannen.28 Op die manier werd de ruime bestuursautonomie dus bedreigd door een geloofsgenoot, en verdedigd door een geloofstegenstander. Dat leidt tot de hypothese dat in de beeldvorming, opvattingen voor het behoud van de bestuurlijke vrijheid in de Zuidelijke Nederlanden niet meer konden samenvallen met opvattingen over de katholieke religie. Die hypothese kan getoetst worden aan de teksten over Willem III in Het Mengelmoes.

De beeldvorming van Willem III in liederen en teksten in Het Mengelmoes

De eerste tekst in Het Mengelmoes is een lied met de titel Zege-sangen op het innemen van de stercke stadt en t’casteel van Namen door de gheseghende bontgenotens waepenen onder de bestieringhe van den machtigen koninck van groot Brittanien Ghillielmus III ende Maximilianus Emanuel hertogh van Beijeren gouverneur van dese Nederlanden.29 De titel maakt meteen duidelijk waar het om gaat: de Zege-sangen is een overwinningslied, waarin de herovering van Namen door de ‘bontgenotens’ – de geallieerden – in 1695 wordt verhaald. Door die overwinning tegen de Fransen keerde het tij in de Negenjarige Oorlog, die grotendeels in de Zuidelijke Nederlanden werd uitgevochten.30

Het lied Zege-sangen roept vele vragen op. Wie het heeft geschreven en wie het heeft gezongen, is moeilijk te achterhalen. Momenteel zijn er slechts een paar zaken zeker. Ten eerste circuleerde het lied al in Antwerpen kort na de gebeurtenissen in Namen, aangezien de herovering van Namen plaatsvond begin september 1695, en Het Mengelmoes werd voltooid in 1696. Ten tweede is het een lied uit de Zuidelijke Nederlanden. Daarop wijst onder meer het deel in de titel waarin keurvorst Maximiliaan II Emanuel van Beieren, die in 1691 was aangesteld tot nieuwe landvoogd van de Spaanse Nederlanden, gouverneur van dese Nederlanden wordt genoemd.31 En ten derde was een van de doelen van het lied om de Zuidelijke Nederlanden moed in te spreken; met die boodschap vangt het lied immers aan:

Schept moedt o Belgis staeckt u traenen
en valt met eerbiedt hun te voet
die u den wegh tot vrijheijt baenen
en wederstellen in u goet
u met geweldt en snoode list ontnomen
danckt den Nassouschen keijsers stam
omhelst den bijervorst dien helt dien vromen
die in den noodt u redden quam.32

Dat er reden is om moed te scheppen, is volgens het lied te danken aan ‘den Nassouschen keijsers stam’ en aan ‘den bijervorst’ Maximiliaan-Emanuel: zij kwamen de noodlijdende Zuidelijke Nederlanden ‘den wegh tot vrijheijt baenen’. Met ‘Nassouschen keijzers stam’ wordt er verwezen naar Willem III en de dynastie van Oranje-Nassau. De gekozen voorstelling, het beeld dus, van Willem III die deel uitmaakt van een keizerstam, strookt niet met de werkelijkheid, maar draagt bij tot de beeldvorming van het lied: ‘keizer’ is immers de hoogste adellijke titel, en alle andere titels staan lager in rang, dus ook de Franse koning Lodewijk XIV. Het beeld weerspiegelt op die manier de inhoud van de Zege-sangen: de overwinning van de geallieerden onder leiding van Willem III op Frankrijk en Lodewijk XIV.

Het lied gaat verder:

Brandt nu van al u trotse vesten
lost al het swangere metael
dat het vrij van het Oost int’weste
schittere als een blixem strael
En dat ons teghevoeters selver weten
en al die het zuijdt en noordt bewoont
hoe vroom hem koningh Willem heeft gequeten
en Beijeren die Mavors kroont.
Hun naemen sal de outheijdt roemen
soo lanck als Namen Namen is
wij sullen hun lantsvaders noemen
die openen ons ghevangenis
den heer wilt geven dat dees helde naemen
aen Vranckrijck soo ontsachelijck sijn
(die in hun vroomheijt niet en vint om blaemen)
gelijck den blixem van Jupijn.33

Willem III wordt in beide strofen ‘vroom’ genoemd. In principe begreep de zeventiende-eeuwer ‘vroom’ als deugdzaam, eerbaar, maar de betekenis was zeer moeilijk te onderscheiden van godvruchtig, godvrezend; kortom: godsdienstig. Om van Willem III een beeld op te hangen dat aansprak in de katholieke Zuidelijke Nederlanden, was die term misschien wel cruciaal: hoewel hij protestants was, had hij zich ingezet voor het voortbestaan van de Zuidelijke Nederlanden, en dus had hij zich godvruchtig ‘gequeten’. ‘Vroom’ moeten we dan zien als een brug tussen het lied, de vrijheid van de Zuidelijke Nederlanden, Willem III en de katholieke doelgroep van het lied.

Het is op dezelfde manier dat we de vraag aan de Heer moeten begrijpen, om te ‘geven dat dees helde naemen’, die Van Willem III en Maximiliaan-Emanuel dus, ‘aen Vranckrijck soo ontsachelijck sijn […] gelijck den blixem van Jupijn.’ Alleen wanneer Frankrijk ontzag zou tonen voor Willem III en Maximiliaan-Emanuel – met andere woorden, wanneer Frankrijk verslagen zal zijn – zouden de Zuidelijke Nederlanden gevrijwaard zijn van de Franse dreiging. Omdat het lied dát perspectief vooropstelt, kan Willem III door katholieken bij de Heer gevraagd worden om zoveel heil.

In de derde strofe worden Maximiliaan-Emanuel en Willem een eerste keer ‘helden’ genoemd. De ‘held’ was in de zeventiende eeuw herkenbaar omdat hij deel was van een lange literaire traditie van heldencultuur in volksboekjes.32 De ‘held’ riep het beeld op van dapperheid en opoffering. Dat beeld functioneert in de Zege-sangen om het belang en de inzet van Willem III voor de Zuidelijke Nederlanden te funderen. Bovendien functioneerde dat heldenbeeld als voorbeeld en als binding.

In dezelfde lijn ligt de bindende term ‘lantsvaders’ in de verzen ‘wij sullen hun lantsvaders noemen/die openen ons ghevangenis.’ Het openen van de gevangenis – dat wil zeggen: de bevrijding van het Franse juk – dát is wat er voor de Zuidelijke Nederlanden van belang is. Maar om dat te bereiken, is Willem III nu eenmaal nodig. In die zin breekt de term ‘lantsvader’ een lans voor Willem III: mocht er antipathie hebben bestaan voor deze protestant, dan maakt dit lied aan de katholieke Zuid-Nederlanders duidelijk wat er werkelijk op het spel staat. Het gaat hier niet om religie, maar om ‘vrijheijt’ – om de ruime bestuurlijke autonomie van de Zuidelijke Nederlanden. De term ‘landsvaders’ bindt Willem III en ‘het land’ (de Zuidelijke Nederlanden) letterlijk samen.

De Zege-sangen is dus niet louter een overwinningslied; het dient meerdere doelen. Eén ervan is ontegensprekelijk de bevordering van het (zelf)bewustzijn van de Zuidelijke Nederlanders over het belang van de bestuurlijke vrijheid. Om die te propageren is het nodig om promotie te maken voor Willem III, want van zijn strijd tegen Lodewijk XIV waren de Zuidelijke Nederlanden afhankelijk. Daarom is het nodig om het ‘juiste’ beeld van de protestantse stadhouder-koning op te hangen; een beeld dat zijn inzet toont voor de Zuidelijke Nederlanden, en is ontdaan van zijn religie. Dat beeld komt duidelijk tot uiting in de achtste en negende strofe:

Maer godt bewaert doch ons twee helden
die sigh int’ vier niet gaede slaen
dat men die lantpilaeren velden
al ons gebouw most haest vergaen
spaert u Kingh Willem onsen steun en hope
den vijandt dorst seer naer u bloedt
spaert u beschermer vant’ edruckt Europe
men kent ghenoegh u vromen moedt.
De Maes en Samber sijn in pijnen
als sij den Landtsheer met het swaert
tot op de sterckten sien verschijnen
och dat den hemel hem bewaert
soo roepen sij en met hun de soldaeten
die op het brisschen van dien Leeuw
den Haen de stercke wallen doet verlaeten
die bangh geeft sijnen lesten schreeuw.35

Nadat in de vierde tot en met de zevende strofe wordt beschreven hoe zwaar de strijd in Namen wel was geweest, komen in de achtste en negende strofe Willem III en Maximiliaan-Emanuel terug aan de orde. En opnieuw wordt God gevraagd om over Willem III en Maximiliaan-Emanuel te waken. Net eender wordt Willem III opnieuw een held genoemd, en komen er termen als ‘lantpilaeren’ en ‘Landtsheer’ in voor. Termen dus, die net als ‘lantsvaders’ een verband leggen tussen Willem III en de Zuidelijke Nederlanden.

Nog explicieter wordt het, wanneer Willem III persoonlijk wordt aangesproken: ‘spaert u Kingh Willem onsen steun en hope.’ Uitspraken als deze moeten na enige tijd ongetwijfeld hebben ingewerkt op de opinie van iedereen die het lied zong of hoorde. Hetzelfde geldt voor het einde van de achtste strofe, waar er nogmaals wordt aangehaald hoe ‘vroom’ Willem III wel was. In wat ingekleed is als een aanspreking tot Willem III, werd iedereen die het lied hoorde, las of zong, geconfronteerd met een mening over Willem III, die zogezegd genoegzaam bekend was: ‘men kent ghenoegh u vromen moedt.’ Zelfs het voornaamwoord ‘men’ speelt in dit vers een opiniërende rol: het suggereert veel meer dan bijvoorbeeld het woord ‘ik’ dat er een grote, gelijkgestemde menigte schuilgaat achter de in dit vers geuite mening. De keuze voor het voornaamwoord ‘men’ is dus functioneel: het plaatst de handeling in de zin – namelijk het ‘kennen van Willems vrome moed’ – veel meer centraal. En het kenbaar maken van Willem, of liever: van zijn strijd, is wat dit lied wil bereiken.

In de negende strofe verschijnt Willem III zelf met een zwaard in de hand op de versterkte wallen, en ‘op het brisschen van dien Leeuw’ worden de Fransen uit Namen verdreven. Het beeld dat in deze strofe over Willem III wordt opgehangen, congrueert met zijn voortrekkersrol in de Grote Alliantie en de strijd tegen het imperialistische beleid van Lodewijk XIV, én met het vanuit Zuid-Nederlands oogpunt verhoopte resultaat: Willem III neemt het voortouw, de soldaten volgen, en de Fransen worden verdreven. Het is die gang van zaken die deze strofe wil inprenten: de Zuid-Nederlanders moesten begrijpen dat het zonder de inzet van Willem III niet zou lukken hun relatieve vrijheid te bewaren.

Willem III speelt in de Zege-sangen dus een bindende rol: hij functioneert, net zoals de landvoogden dat deden in Zuid-Nederlandse strijdliederen na de Opstand, als de persoon rondom wie de Zuidelijke Nederlanders zich konden verenigen. Het procedé van de strijdliederen wilde dat de tegenstander werd gedemoniseerd. Na de Opstand gebeurde dat met de ‘Hollandse ketters’, die bijvoorbeeld, zoals in het beeld van de drie leeuwen die de ene Nederlandse leeuw aanvielen, verweten werden hebzuchtig en eerzuchtig te zijn.33 De Zege-sangen volgt dit procedé. In de veertiende en laatste strofe wordt er gezegd, in een rechtstreekse aanspreking tot Lodewijk XIV:

Ghij naemt meer als ghij kost verdouwen
u gulsigheijt was noijt versaedt
men sal wel haest u uijt doen spouwen
dat ghij onrechtelijck besaet
de vrucht is van al u onwettigh strijden
dat ghij u volck hebt uijtgheput
en nogh eer langh van u sult moeten schijden
waer toe was dan die eersucht nut?37

Lodewijk XIV wordt in de Zege-sangen gedemoniseerd door hem gulzigheid en eerzucht te verwijten. Net zoals dat in de strijdliteratuur tegen de Hollandse ketters het geval was, wordt de tegenstander met behulp van de katholieke hoofdzonden demonisch voorgesteld. De woorden ‘gulsigheijt’ en ‘eersucht’ communiceerden een interpretatie voor de motieven van Lodewijk XIV, die het laat-zeventiende-eeuwse, Zuid-Nederlandse, katholieke publiek verduidelijkte hoe verachtelijk het handelen van de Franse koning feitelijk wel was. Aan die opiniërende termen kon zelfs de grootste antiprotestant niet voorbij.

De Zege-sangen is dus een overwinningslied, maar ook een propagandalied. De beeldvorming dient om onder de katholieke Zuid-Nederlanders een positieve opinie over de protestant Willem III te vestigen, om op die manier de strijd voor de ruime bestuurlijke vrijheid te propageren. Hoewel de tegenstander gedemoniseerd wordt door hem af te beelden als een slechte katholiek, is de functie van de tekst niet om het katholicisme te consolideren in de Zuidelijke Nederlanden.

De andere zes teksten in Het Mengelmoes die Willem III opvoeren, leveren minder significante beelden op. Desalniettemin is het feit dat hij wordt opgevoerd soms op zich al betekenisvol. Het Mengelmoes bevat een uitgebreide prozatekst over de zeeslag bij La Hogue in 1692, waar de verenigde Engelse en Hollandse vloot onder leiding van de admiralen Russel en Almonde de Franse vloot versloeg.34 De prozatekst is om een titelloos gedicht heen geschreven, met als eerste vers ‘Vaert voort Bebloede Leeuw vaert voort verhitte Britt.’35 Hoewel Willem III niet aanwezig was bij deze zeeslag, krijgt hij in het gedicht toch een zeer belangrijke rol toegemeten. Dat gebeurt met name op het moment dat Lodewijk XIV het bericht krijgt van zijn nederlaag:

[...] hoe staet Louis aldus ontstelt
wanneer hem is geseijt sijn vloot te sijn gevelt
En op de wilde see sijn macht te sijn gheslaeghen
hoe seght quam hun vloot de mijn soo naer te jaeghen
Waerom hiel sij geen stant [?]

Waarop het antwoord luidt:

[…] de konincklijcke naem
Van Wilhem brocht de vrees d’ admiraelsche faem
Verschaften mee een schroom int’ vijantlijcke legher […].40

Volgens de schrijver van ‘Vaert voort’ volstond de ‘koninklijke naam’ van Willem III om een zodanige paniek onder de Franse troepen te zaaien, dat de vloot van Lodewijk XIV onmogelijk stand kon houden. Dit treffende beeld, van een angstaanjagend sterke Willem III, was ongetwijfeld opiniërend bedoeld: het moest de Zuid-Nederlanders moed inspreken om de strijd niet op te geven tegen de Franse dreiging, om zich te blijven inzetten voor de eigen verworvenheden.

Als er werkelijk een propagandamachine op gang was gekomen, die Willem III bewust in beeld bracht om de strijd voor de ruime, Zuid-Nederlandse bestuursautonomie te propageren, zoals teksten als de Zege-sangen en ‘Vaert voort’ lijken aan te tonen, dan moet men verwachten dat het discours van die propaganda allengs populairder werd. Helaas hebben we zeer weinig bronnen om dit te verifiëren. Toch bevat Het Mengelmoes één lied uit een populair genre, waarin Willem III wordt opgevoerd. Het betreft het drinkliedje met als incipit ‘Men drinckt den wijn/in schaduw van Oranien.’36 In de eerste strofe werd er onder meer gezongen: ‘den prins gaet heen/voor onse vrijheijt vechten/toont nu vrolijckheên/den prins gaet heên/sijn segen standaert rechten.’ In de tweede strofe klinkt het: ‘laet Willem voor ons strijden’, en in de derde komt de tegenstander aan bod: ‘Wegh frans ghewas/men kan u wel ontbeiren/en sonder u wel teiren.’ De laatste strofe vangt aan met de verzen: ‘Vaert voort o heldt/ick sien u reets gedraegen/in een victori waegen/over lanck gestelt.’ ‘Men drinckt den wijn’ is een zeer eenvoudig liedje, maar het discours van de veronderstelde propaganda klinkt er wel doorheen: Willem III wordt een held genoemd. Er wordt expliciet gesteld dat hij voor ‘onse vrijheijt’ – die van de Zuidelijke Nederlanden dus – gaat vechten. Dat wordt nog eens herhaald in ‘laet Willem voor ons strijden’, en het doel van die strijd wordt al even kordaat uitgedrukt: ‘Wegh frans gewas!’

Dat er niet altijd een positief beeld van Willem III werd opgehangen in Zuid-Nederlandse literatuur tijdens de Negenjarige Oorlog, tonen de vier andere teksten in Het Mengelmoes die Willem III opvoeren. Drie ervan zijn zeer kort en zeggen slechts zeer algemeen iets over Willem III. Het betreft ten eerste het tweeregelig epigram ‘Kleijn peert, schoon peert peert licht om op te sitten/maer die t’voor last op heeft is koninck van de Britten’, dat een vorm van spot inhoudt.37 Ten tweede is er het vierregelig gedicht Den teghenwoordighen stant van Hollandt dat ronduit negatief oordeelt over Willem III:

Twee Willems hebben ons gebrocht uijt het verderven
den eersten door den noot den tweeden door het sterven
den derden Willem ons nogh dagelijckx soo bederft
dat wij verloren sijn, het sij gij leeft off sterft.43

De titel maakt het aannemelijk dat dit gedichtje uit Holland zelf voortkwam, maar aangezien het is opgenomen in Het Mengelmoes, circuleerde het in elk geval ook in de Zuidelijke Nederlanden. Tenslotte is er nog een Epigramma waarin er over Lodewijk XIV wordt gezegd: ‘Louis le grand ou sceptre couronnée en la rue de victoire’, waartegenover staat dat Willem III zich op weg naar de hel bevindt: ‘Le roij Guilliaum en Lucifer en la rue des infers.’38 De reden voor dit oordeel blijft de tekst echter schuldig.

Meer stof levert het epigram met het beginvers ‘Schoon laet nochtans comt vast de wraecke godts te voren.’39 In dit gedicht brengt een schrijver ‘de wraecke godts’ vanuit katholiek perspectief in verband met de Glorious Revolution, die resulteerde in de kroning van Willem III tot koning van Engeland, Schotland en Ierland ten koste van zijn schoonvader, de katholieke Jacobus II.40 In het eerste deel van de tekst wordt er gehoopt dat Jacobus II ‘weertroont’ zal worden en in het tweede deel wordt duidelijk hoe de ‘wraecke godts’ precies werkt:

Schoon laet nochtans comt vast de wraecke godts te voren
straff die de vrouwe draeght dat die de man oock lijdt
Oranien leijt int’ graff door godts vergramde toren
gevoeght met d’ oppermacht van schott’ en Britsche sijd’.
Wree suster dochter boos onvruchtbaer gemalinne
Vol bedrogh dat selffs Tullia niet prijsen sou
Haer man ontbreckt oock niet een schelmstuck te versinnen
hoe hij sijn schoonvaer t’ rijck sou rooven door sijn vrou.47

De ‘straff die de vrouwe draeght’ verwijst naar de onvruchtbaarheid van Mary Stuart, de protestantse echtgenote van Willem III, en dochter van Jacobus II. Verderop wordt ze ook nog aangesproken als ‘onvruchtbaer gemalinne’. Haar onvruchtbaarheid is volgens de tekst de ‘wraecke godts’ voor het verdrijven van haar katholieke vader. Deze wandaad tegen de katholieke kerk werd volgens het epigram al bestraft door de Voorzienigheid, want omdat het nieuwe koningspaar geen nageslacht kon krijgen, zou de heerschappij van de Oranjes over Schotten en Britten slechts van korte duur zijn. Precies door die heerschappij kon Willem III zich aan het hoofd van de Grote Alliantie stellen en zich op die manier inzetten voor het voortbestaan van de Zuidelijke Nederlanden. Die associatie verdwijnt hier echter helemaal uit beeld. Sterker nog, ze maakt plaats voor een heel andere associatie.

Aan het einde van de tekst wordt Mary immers ‘vol bedrogh’ genoemd, ‘dat selffs Tullia niet prijsen sou.’41 Tullia was de oudste dochter van Servius Tullius, de zesde koning van Rome. Tullia knoopte een relatie aan met haar schoonbroer, Tarquinius. Op haar aanzetten werden hun beide echtgenoten vermoord, waarna Tullia en Tarquinius in het huwelijk traden. Gedreven door Tullia ging Tarquinius voor de macht in Rome. Hij wierp de oude koning Servius Tullius van de trappen van de senaat, waarna Tullia met een wagen over het lijk van haar vader reed.42 En zelfs deze Tullia, berucht om haar bedrieglijke aard, zou het bedrog van Mary niet prijzen – aldus de tekst. Maar ook Willem III past in het beeld van de vergelijking. Tullia’s minnaar werd na haar vaders dood gekroond tot Tarquinius II, koning van Rome. ‘Haer man’ verwijst dus naar zowel Tullia’s minnaar Tarquinius als naar Willem III, die er ook niet voor terugschrikt om een schelmstuk te verzinnen en via zijn vrouw het rijk van zijn schoonvader te roven.

De Glorious Revolution, die cruciaal was voor de indamming van Frankrijk en voor het voortbestaan van de Zuidelijke Nederlanden en hun ruime bestuursautonomie, wordt in dit gedicht dus als ‘een schelmstuck’ beschouwd. Aan dat perspectief liggen katholieke opvattingen ten grondslag. Het propageren van die opvattingen stelt de protestant Willem III in een ongunstig daglicht, en de bestaansonzekerheid van de ruime Zuid-Nederlandse bestuurlijke autonomie komt niet aan bod.

Besluit

De teksten in Het Mengelmoes die Willem III opvoeren, getuigen van uiteenlopende opvattingen. De tekst over ‘de wraecke godts’ ziet Willem III als een protestant, die door God gestraft wordt voor zijn daden tegen de katholieke kerk. De tekst ventileert rooms-katholieke opvattingen en laat de andere grote verworvenheid van de Zuidelijke Nederlanden, de ruime bestuursautonomie, onvermeld. In de Zege-sangen en in het gedicht ‘Vaert voort’ komt de grote bestuurlijke vrijheid wel aan de orde. Beide teksten hebben gemeen dat ze promotie maken voor Willem III en zijn strijd tegen Frankrijk, omdat dit vanuit Zuid-Nederlands perspectief de eigen strijd was. In de beeldvorming van ‘Vaert voort’ is Willem III zo angstaanjagend sterk, dat het Franse leger geen schijn van kans maakt. Dat beeld moet de Zuid-Nederlanders moed gegeven hebben. De beeldvorming van de Zege-sangen propageert Willem III als ‘den wegh tot vrijheijt’ voor de Zuidelijke Nederlanden. Significante beelden die daarbij worden ingezet zijn Willems vroomheid, die functioneert als een brug tussen het lied, de vrijheid van de Zuidelijke Nederlanden, Willem III en de katholieke doelgroep van het lied, en het beeld van de ‘held’, dat een bindende functie heeft. Termen als ‘lantsvaders’, ‘lantpilaeren’ en ‘Landtsheer’ verbinden Willem III letterlijk met ‘het land’ – de Zuidelijke Nederlanden. Het lied effent het pad voor de Zuidelijke Nederlanders om zich rond Willem III te verenigen, net zoals ze zich honderd jaar eerder rond de Spaanse landvoogden verenigden. Net als toen waren de Zuidelijke Nederlanden afhankelijk van een buitenlandse vorst om hun voortbestaan te garanderen. Een procedé dat in de strijdliteratuur na de Opstand werd aangewend om de gelederen te sluiten, was het demoniseren van de tegenstander. Dat gebeurt ook in de Zege-sangen, en wel volgens dezelfde methode als circa honderd jaar eerder: door de tegenstander te betichten van katholieke hoofdzonden. Een groot verschil tussen de Zege-sangen en de strijdliteratuur na de Opstand is echter, dat het demoniseren van de tegenstander in de Zege-sangen niet functioneert om het katholicisme te vestigen of te consolideren in de Zuidelijke Nederlanden, maar om de ruime bestuurlijke vrijheid te propageren. Voor het behoud daarvan, was alle Zuid-Nederlandse hoop gevestigd op Willem III. Het vijfde vers van de achtste strofe van de Zege-sangen vat het bondig samen: ‘spaert u Kingh Willem onsen steun en hope.’