Deze bundel is het resultaat van een conferentie gehouden in 2006, onder dezelfde titel. Ingebed in de bekende historiografie over het hof, die stelt dat het hof, in plaats van een irrelevante slangenkuil vol decadente konkelaars, dé centrale institutie binnen vroegmoderne staten was, werpt deze bundel licht op de weerkaatsingen van dynastieke soevereiniteit in de vele Habsburgse hoven in zestiende en zeventiende-eeuws Europa. Deze hoven worden in 11 artikelen plus een inleiding en conclusie op drie niveaus bestudeerd: allereerst de vorstelijke hoven in Madrid en Wenen; ten tweede de hoven van onafhankelijke aartshertogen in Brussel, Graz en Tirol; en ten derde de hoven van regenten en onderkoningen in Italië en elders. Ook wordt aandacht geschonken aan de vrouwelijke huishoudens in Oostenrijk en Frankrijk. Het doel van deze bundel is de verhoudingen tussen al deze huishoudens in kaart te brengen om zo licht te werpen op het Europese netwerk van Habsburgse hoven. Het eerste artikel van José Martínez Millán schetst de politieke configuratie van de Habsburgse hoven met hun satellieten. In een deel van de bijdragen wordt de nadruk gelegd op een onderlinge ‘culturele transfer’ om de verhoudingen tussen de hoven te beschrijven, zoals bijvoorbeeld via een Habsburgse koningin in Frankrijk (Chaline), Oostenrijkse prinsen in Spanje (Hortal Muñoz), het verplaatsen van het keizerlijk hof van Graz naar Wenen (Keller), de representatie van de afwezige vorst aan regentenhoven (Rivero Rodríguez) en de mate waarin hofceremoniën vergelijkbaar waren (López Álvarez). Daarnaast gaan diverse bijdragen in op de economische fundamenten van de hoven (De Carlos Morales) en de integratie van regionale elites aan regionale hoven, zoals Franch-Comtois in Brussel (Houben), de Spaanse factie in Brussel (Thomas) of Vlamingen in Spanje (Esteban Estríngana). Buiten deze tweedeling valt het artikel van Von Schlachta dat ingaat op de veranderingen die het Tiroolse hof onderging naar gelang er Habsburgse vorstelijke regenten, onafhankelijke aartshertogen of weduwen resideerden.

Qua periode ligt de nadruk op de zeventiende eeuw. Dat maakt het voor lezers van dit blad een interessante bundel, en vloeit bovendien logisch voort uit het onderzoeksproject dat Luc Duerloo en René Vermeir enkele jaren in Antwerpen leidden over de aartshertogen Albert en Isabella en hun hof. Van Spaanse zijde kent de bundel een zware delegatie van de onderzoeksgroep rond José Martínez Millán – de onbetwiste voortrekker van Spaans-Habsburgse hofstudies. Habsburgse vorstinnen aan buitenlandse hoven worden alleen belicht door Chaline, terwijl de Oostenrijkers het met twee bijdragen moeten doen – wat wellicht aangeeft dat de nadruk meer op de Spaanse en Zuid-Nederlandse manifestaties van het Habsburgse hofleven ligt. In de afsluitende bijdrage worden nog enkele onderzoekslijnen uiteen gezet, die weinig verband lijken te hebben met de artikelen. Dat is jammer, want een dergelijke zorgvuldig samengestelde bundel had een sterke conclusie verdiend.