In 1977 had Jozef IJsewijn 370 pagina’s nodig om het gloednieuwe onderzoeksveld Neolatijnse studies op de wetenschappelijke kaart te zetten. In 1990–1998 maakte hij samen met Dirk Sacré een nieuwe Companion in twee lijvige boekbanden die meer dan duizend pagina’s besloegen. En thans ligt een nieuw handboek klaar: het werd samengesteld door drie redacteuren die een beroep deden op een ruime schare van zo’n tachtig specialisten. Tezamen schreven ze ruim 2400 dichtbedrukte kolommen vol. Die proliferatie is tekenend voor het eclatante succes dat de Neolatijnse studies kenden en kennen en voor de verregaande versplintering die daar onvermijdelijk mee gepaard ging en gaat.

Die versplintering manifesteert zich reeds in de titel van het werk, dat zich als een alomvattende encyclopedie aandient. Een encyclopedie die niet minder dan 66 hoofdartikels en 145 kortere nevenartikels bevat. De hoofdartikels werden gegroepeerd in een lijvige macropaedia en de nevenartikels in een slankere micropaedia. De hoofdartikels zijn thematisch gerangschikt. Naast taal en opvoeding en literatuur en genres wordt opvallend veel aandacht besteed aan de rol die het Latijn speelde in de kunsten, de wetenschappen, de kerk, het recht en de Nieuwe Wereld. Een knappe geschiedenis van de Neolatijnse studies sluit de macropaedia af, al lost die laatste bijdrage niet helemaal de belofte in die in de inleiding wordt gewekt. Terecht wijzen de uitgevers op de theoretische en methodologische verrijking en verdieping die het onderzoeksveld de afgelopen decennia heeft ondergaan, maar die worden in de encyclopedie slechts partieel beschreven.

In de alfabetisch geordende micropaedia maken we kennis met een bont allegaartje van belangrijke figuren, plaatsen, instellingen, subgenres, enzovoort. De keuze voor of tegen opname lijkt soms een tikje arbitrair; duidelijke selectiecriteria worden niet aangereikt. Zo vinden we wel een aparte bijdrage over ‘vroege’ humanisten als Erasmus, maar niet over ‘latere’ humanisten als Justus Lipsius of Josephus Scaliger, al passeren die wel de revue in tal van andere bijdragen.

De opsplitsing in een macro- en micropaedia zorgt ervoor dat de lezer die zich in een welbepaald onderwerp wil verdiepen voortdurend moet laveren. Zo verschijnen in de macropaedia twee uitvoerige artikels over de relatie van de Neolatijnse taal en literatuur tot de literatuur in de volkstalen – een thema dat in de micropaedia in verscheidene specifiekere bijdragen wordt uitgediept. Maar de lezer die zich snel in alle facetten van het onderwerp wil oriënteren dient ook de macropaedia verder af te schuimen: het thema komt daar in ettelijke andere artikels aan bod. Een thematische index had de lezer bij het navigeren aanzienlijk kunnen helpen.

Deze detailkritiek doet geen afbreuk aan de wezenlijke waarde van Brill’s Encyclopaedia, een monumentaal werk dat ontegenzeglijk een nieuw ijkpunt in het snel evoluerende domein van de Neolatijnse studies markeert. Verplicht, maar spannend leesvoer voor neofieten én ervaren rotten in het vak, voor zelfverklaarde neolatinisten én nieuwsgierige ‘buren’.